Ik herinner me nog hoe het licht in de ogen van mijn grootmoeder stilaan doofde. Dat ging samen met het verbrokkelen van haar herinneringen. Eerst flakkerden haar ogen nu en dan nog op, momenten waarop er in een flits fragmenten uit een vroeger leven door de zwachtels braken die haar hersenen steeds dichter omwikkelden. Plots wist ze weer hoe je heette, wie je was of vertelde ze, alsof het gisteren was, over de dag dat mijn grootvader boter in zijn jaszakken smokkelde. Voor haar wás dat ook gisteren. Wij die de tijdlijn nog wel beheersten, wisten beter, maar we knikten en waren vooral blij met die momenten van helderheid. Tot ook die verdwenen. Haar ogen bevroren tot meren van lood. Bomma keek zonder iets te zien.
...