Ik herinner me nog hoe het licht in de ogen van mijn grootmoeder stilaan doofde. Dat ging samen met het verbrokkelen van haar herinneringen. Eerst flakkerden haar ogen nu en dan nog op, momenten waarop er in een flits fragmenten uit een vroeger leven door de zwachtels braken die haar hersenen steeds dichter omwikkelden. Plots wist ze weer hoe je heette, wie je was of vertelde ze, alsof het gisteren was, over de dag dat mijn grootvader boter in zijn jaszakken smokkelde. Voor haar wás dat ook gisteren. Wij die de tijdlijn nog wel beheersten, wisten beter, maar we knikten en waren vooral blij met die momenten van helderheid. Tot ook die verdwenen. Haar ogen bevroren tot meren van lood. Bomma keek zonder iets te zien.

Uit de eerste minuten van Voor ik het vergeet leer ik dat de laatste jaren van mijn grootmoeder steeds meer regel dan uitzondering zijn. Eén op de vijf mensen wordt dement. Reportagemaker Wannes Deleu kampt met het schuldgevoel dat wel meer kleinkinderen van dementerende grootouders kennen: omdat oma of opa verloren loopt in het eigen lichaam, heb je de neiging je uit hun leven terug te trekken. Je gaat minder langs dan je zou willen. Want hoe belangrijk ben je voor iemand die je niet meer herkent? Maakt het een verschil dat jij daar in die muffe kamer met die neplederen zetels zit of dat het de postbode is?

Reportagemaker Wannes Deleu kampt met het schuldgevoel dat wel meer kleinkinderen van dementerende grootouders kennen.

Sinds Deleu als reportagemaker vrijwillig een tijdlang zijn bezittingen opgaf om als dakloze op straat te leven, weten we dat deze goedlachse man met blonde krullen het hart op een warme plaats draagt. Hij wil de verloren tijd met zijn grootmoeder inhalen en als een Kuifje in dementieland een manier vinden om paden te banen door die ongrijpbare wereld waarin ze zich heeft teruggetrokken. Drie weken lang, van 1 december tot Kerstmis, trekt hij bij grootmoe in in woonzorgcentrum Den Olm. Hij eet samen met haar, duwt haar in de rolstoel naar de kapper, zingt met haar en probeert hardnekkig een gesprek aan te knopen. Dat laatste, leert Deleu, is in Den Olm geen geschikte manier om te communiceren. De taal is er niet langer gemeenschappelijk. Net zoals ieder zijn eigen universum heeft, heeft ieder er zijn eigen taal.

Voor ik het vergeet is het verhaal van Deleu en zijn grootmoe, maar ook dat van de verwarring die in Den Olm aan de orde van de dag is. ' De die is nogal in de war', zegt Mimi, een van de vaste tafelgenotes van grootmoe. Ze heeft een afkeurende trek rond de mond, alsof ze duidelijk wil maken dat ze niets te maken heeft met al die verwarde schepselen om haar heen, dat ze slechts op bezoek is en dat ze ieder moment kan vertrekken.

Wanneer Deleu haar later in haar kamer opzoekt, is ze inderdaad druk bezig met het opplooien en in een valies steken van kleren. Even lijkt het alsof Mimi de vergissing van de afdeling is, alsof ze nog te veel helderheid in de hersenen heeft om in dit zorgcentrum te verblijven, maar ook die indruk verpulvert als een verbrand espenblad. Mimi is net als de anderen de tel kwijt, haar greep op de werkelijkheid is krampachtig, het is alsof ze zich vastklampt aan een reddingsboei en geluidloos schreeuwt: 'Voor ik het vergeet.' Want vergeten zal ze. Vergeten doen ze allemaal in Den Olm.

Grootmoe is voor Deleu moeilijk te volgen. Hij wil praten. Zij praat in ongerijmdheden en standaardzinnen. Ja, nee, ik weet het niet. 'Het heeft geen zin om te vechten', raadt de zoon van Lea, een andere bewoonster, Deleu aan. 'Aanvaard het.' Dat is waar Voor ik het vergeet over gaat. Aanvaarden dat de grootmoe die je gekend hebt er niet meer is. Dat het licht in de ogen gedoofd is. Dat ze iemand anders is. Maar dat je ook van die iemand anders kunt houden.

Voor ik het vergeet

Maandag 7/1, 21.25, Eén