Op 23 januari werden de Ensors, de Vlaamse film- en televisieprijzen, uitgereikt. Vlaamse fictie werd verdiend in de schijnwerpers gezet. In coronatijden hebben we niet alleen nood aan informatie, maar ook aan amusement. De Kerstspecial van FC De Kampioenen kluisterde bijna 2,4 miljoen Vlaamse kijkers aan het scherm en was daarmee het best bekeken programma van 2020. Klassieke 'lineaire' televisie zat lang in het verdomhoekje maar kent een revival. Vlaamse programma's blijven aanslaan, en vooral tv-fictie blijft populair.

Van bij het begin in 1953 zette onze publieke omroep in op fictieseries, met Schipper naast Mathilde als voorloper en Wij, Heren van Zichem als klassieker. Na de komst van commerciële zenders in 1989 bleef fictie belangrijk. VTM kocht niet massaal Amerikaanse series - zoals gevreesd - maar maakte veel eigen populaire producties, zoals De Kotmadam dat 25 seizoenen lang op de buis kwam. En ook VRT stak een tandje bij, met nieuwe initiatieven zoals de dagelijkse serie Thuis en prestigereeksen zoals Van vlees en bloed. Ook Vier programmeerde Vlaamse series, zoals recent nog De dag.

Zeker voor een kleine televisiemarkt is het aanbod 'eigen' fictie in Vlaanderen groot, en de kwaliteit goed, zoals blijkt uit de toenemende internationale interesse. Steeds meer Vlaamse series worden opgepikt door buitenlandse zenders, zoals onlangs nog De twaalf. Ook op Netflix zijn Vlaamse producties te zien, zoals Tabula rasa en Undercover. Onze regisseurs zijn wereldwijd gegeerd, denk maar aan Adil en Bilall die hoge ogen gooien in Hollywood. Eigen fictie is nog altijd goed vertegenwoordigd bij de meest bekeken programma's in Vlaanderen. Maar blijft dat zo?

Ons rijk televisielandschap lijkt vanzelfsprekend, maar is dat helemaal niet.

De concurrentie groeit. Niet alleen vissen veel meer Vlaamse zenders in dezelfde vijver. Ook digitaal kijken bedreigt het verdienmodel, nu kijkers reclame steeds gemakkelijker kunnen ontwijken. Recent vormt vooral de concurrentie van internationale series op onlineplatformen zoals Netflix een bedreiging. Het aanbod is enorm, kijkers zappen weg. Met Streamz als Vlaams alternatief probeert men weerwerk te bieden, maar of dat zal lukken blijft nog maar de vraag. Het unieke Vlaamse 'ecosysteem', met een aantal sterke Vlaamse zenders en veel eigen programma's, wordt bedreigd. Niet alleen commerciële zenders worden getroffen, ook de publieke omroep voelt de druk.

Ons rijk televisielandschap lijkt vanzelfsprekend, maar is dat helemaal niet. Zo zijn onze commerciële zenders sterk lokaal verankerd en biedt VRT, in vergelijking met andere Europese publieke omroepen, een groot televisieaanbod en weet ze veel kijkers te boeien. VRT speelt daarnaast als producent een centrale rol in het Vlaamse televisielandschap, ook voor fictie. VRT maakt zelf een aantal programma's, zoals Thuis, maar is ook een vaste klant voor externe productiehuizen. Samen met de commerciële omroepen investeert ze veel in fictie, ondersteund door een gunstig belastingregime, de zogenaamde 'tax shelter'. Zelfs in coronatijden blijft de Vlaamse audiovisuele sector dynamisch en inventief, zoals blijkt uit de productie van een aantal 'lockdownseries' zoals We moeten eens praten en Lockdown, een reeks kortfilms.

De publieke omroep is de ideale plaats om nieuw talent te stimuleren en nieuwe formats te ontwikkelen. Dat moet VRT dan ook doen - nu, meer dan ooit.

Hoe moet het nu verder? In de huidige context van onzekerheid en toenemende concurrentie biedt ons rijk televisieaanbod een houvast. Zeker een sterke publieke omroep is belangrijker dan ooit, als bron van betrouwbare informatie en amusement. Meer dan ooit kan de publieke omroep ook een baken van zekerheid vormen, niet alleen voor de kijkers maar ook voor de ruimere audiovisuele sector. VRT is minder afhankelijk van commerciële inkomsten en heeft, ondanks de steeds verdergaande besparingen, nog altijd een vrij groot en stabiel budget. Die investering door de overheid - en dus door ons allen - is goed besteed, op voorwaarde dat VRT haar publieke functie goed blijft vervullen.

VRT kan en moet daarom doen wat voor andere omroepen minder evident is. Zo moet VRT sterk inzetten op publieke waarde, bijvoorbeeld door extra in te zetten op diversiteit, een taak die ook centraal staat in de laatste beheersovereenkomst met de Vlaamse overheid. VRT kan ook het voortouw nemen in coproducties met binnen- en buitenlandse partners, om zo ambitieuze fictieseries te maken die anders te duur zijn. Met VRT als partner is het mogelijk prestigieuze producties op te starten die verder bijdragen aan de buitenlandse uitstraling van Vlaamse fictie, en zo ook de ruimere sector ten goede komen. En terwijl alle Vlaamse zenders uitblinken in creativiteit, heeft VRT bij uitstek de mogelijkheid te experimenteren zonder angst voor commerciële gevolgen. De publieke omroep is de ideale plaats om nieuw talent te stimuleren, nieuwe formats te ontwikkelen, zoals de Lockdown-kortfilms, en zo de Vlaamse audiovisuele sector meer ademruimte te geven. VRT kan dat doen, en moet dat ook - nu, meer dan ooit - doen. Zo blijft Vlaamse fictie hopelijk nog lang een vaste waarde.

Op 23 januari werden de Ensors, de Vlaamse film- en televisieprijzen, uitgereikt. Vlaamse fictie werd verdiend in de schijnwerpers gezet. In coronatijden hebben we niet alleen nood aan informatie, maar ook aan amusement. De Kerstspecial van FC De Kampioenen kluisterde bijna 2,4 miljoen Vlaamse kijkers aan het scherm en was daarmee het best bekeken programma van 2020. Klassieke 'lineaire' televisie zat lang in het verdomhoekje maar kent een revival. Vlaamse programma's blijven aanslaan, en vooral tv-fictie blijft populair. Van bij het begin in 1953 zette onze publieke omroep in op fictieseries, met Schipper naast Mathilde als voorloper en Wij, Heren van Zichem als klassieker. Na de komst van commerciële zenders in 1989 bleef fictie belangrijk. VTM kocht niet massaal Amerikaanse series - zoals gevreesd - maar maakte veel eigen populaire producties, zoals De Kotmadam dat 25 seizoenen lang op de buis kwam. En ook VRT stak een tandje bij, met nieuwe initiatieven zoals de dagelijkse serie Thuis en prestigereeksen zoals Van vlees en bloed. Ook Vier programmeerde Vlaamse series, zoals recent nog De dag. Zeker voor een kleine televisiemarkt is het aanbod 'eigen' fictie in Vlaanderen groot, en de kwaliteit goed, zoals blijkt uit de toenemende internationale interesse. Steeds meer Vlaamse series worden opgepikt door buitenlandse zenders, zoals onlangs nog De twaalf. Ook op Netflix zijn Vlaamse producties te zien, zoals Tabula rasa en Undercover. Onze regisseurs zijn wereldwijd gegeerd, denk maar aan Adil en Bilall die hoge ogen gooien in Hollywood. Eigen fictie is nog altijd goed vertegenwoordigd bij de meest bekeken programma's in Vlaanderen. Maar blijft dat zo? De concurrentie groeit. Niet alleen vissen veel meer Vlaamse zenders in dezelfde vijver. Ook digitaal kijken bedreigt het verdienmodel, nu kijkers reclame steeds gemakkelijker kunnen ontwijken. Recent vormt vooral de concurrentie van internationale series op onlineplatformen zoals Netflix een bedreiging. Het aanbod is enorm, kijkers zappen weg. Met Streamz als Vlaams alternatief probeert men weerwerk te bieden, maar of dat zal lukken blijft nog maar de vraag. Het unieke Vlaamse 'ecosysteem', met een aantal sterke Vlaamse zenders en veel eigen programma's, wordt bedreigd. Niet alleen commerciële zenders worden getroffen, ook de publieke omroep voelt de druk. Ons rijk televisielandschap lijkt vanzelfsprekend, maar is dat helemaal niet. Zo zijn onze commerciële zenders sterk lokaal verankerd en biedt VRT, in vergelijking met andere Europese publieke omroepen, een groot televisieaanbod en weet ze veel kijkers te boeien. VRT speelt daarnaast als producent een centrale rol in het Vlaamse televisielandschap, ook voor fictie. VRT maakt zelf een aantal programma's, zoals Thuis, maar is ook een vaste klant voor externe productiehuizen. Samen met de commerciële omroepen investeert ze veel in fictie, ondersteund door een gunstig belastingregime, de zogenaamde 'tax shelter'. Zelfs in coronatijden blijft de Vlaamse audiovisuele sector dynamisch en inventief, zoals blijkt uit de productie van een aantal 'lockdownseries' zoals We moeten eens praten en Lockdown, een reeks kortfilms. Hoe moet het nu verder? In de huidige context van onzekerheid en toenemende concurrentie biedt ons rijk televisieaanbod een houvast. Zeker een sterke publieke omroep is belangrijker dan ooit, als bron van betrouwbare informatie en amusement. Meer dan ooit kan de publieke omroep ook een baken van zekerheid vormen, niet alleen voor de kijkers maar ook voor de ruimere audiovisuele sector. VRT is minder afhankelijk van commerciële inkomsten en heeft, ondanks de steeds verdergaande besparingen, nog altijd een vrij groot en stabiel budget. Die investering door de overheid - en dus door ons allen - is goed besteed, op voorwaarde dat VRT haar publieke functie goed blijft vervullen.VRT kan en moet daarom doen wat voor andere omroepen minder evident is. Zo moet VRT sterk inzetten op publieke waarde, bijvoorbeeld door extra in te zetten op diversiteit, een taak die ook centraal staat in de laatste beheersovereenkomst met de Vlaamse overheid. VRT kan ook het voortouw nemen in coproducties met binnen- en buitenlandse partners, om zo ambitieuze fictieseries te maken die anders te duur zijn. Met VRT als partner is het mogelijk prestigieuze producties op te starten die verder bijdragen aan de buitenlandse uitstraling van Vlaamse fictie, en zo ook de ruimere sector ten goede komen. En terwijl alle Vlaamse zenders uitblinken in creativiteit, heeft VRT bij uitstek de mogelijkheid te experimenteren zonder angst voor commerciële gevolgen. De publieke omroep is de ideale plaats om nieuw talent te stimuleren, nieuwe formats te ontwikkelen, zoals de Lockdown-kortfilms, en zo de Vlaamse audiovisuele sector meer ademruimte te geven. VRT kan dat doen, en moet dat ook - nu, meer dan ooit - doen. Zo blijft Vlaamse fictie hopelijk nog lang een vaste waarde.