In de vroege jaren negentig woonde ik in Rotselaar-Heikant. Er waren twee concurrerende kruideniers op honderd meter van elkaar, er was een goede bakker en een slechte en om de zo veel tijd ging ik naar de kapper om mijn haar voor 300 frank goed kort te laten knippen.
...

In de vroege jaren negentig woonde ik in Rotselaar-Heikant. Er waren twee concurrerende kruideniers op honderd meter van elkaar, er was een goede bakker en een slechte en om de zo veel tijd ging ik naar de kapper om mijn haar voor 300 frank goed kort te laten knippen. Ik was niet gek op mijn leven in Rotselaar-Heikant, haatte het ook niet. Eerder dan een gelukkig kind was ik geen ongelukkig kind. Ik bouwde kampen en reed met een fiets. In de straat waar we woonden, was er een huis dat iets dieper in het perceel lag dan de andere huizen. Je kon de moeder op haar kinderen horen roepen elke keer dat je er voorbijwandelde of -fietste. Ik wist: dat is ongeluk. We hadden goede buren en in de zomer bakte de lucht boven het asfalt zodat het kleefde zoals het nooit meer kleeft wanneer je wat ouder wordt en je motorisch door het leven snijdt en niet meer al slenterend en met een stok in de hand. Plannen en verveling liepen door elkaar in lange dagen licht, en het was op een van die late zomeravonden dat een kameraad mij Body Count liet horen. De hoes zag er gevaarlijk uit en de muziek klonk alsof ze uit een heel andere wereld kwam. Ze kwam natuurlijk ook uit een hele andere wereld. Dat Ice-T en Ernie C in South Central LA een andere kindertijd hadden gekend als ik in Rotselaar-Heikant, dat hoef je niet te gaan factchecken. Misschien sprak het ons net daarom zo aan. Of we vonden het gewoon cool. Je moet weten dat dit nog in de tijd was dat je niet verweten werd aan culturele toe-eigening te doen als je graag naar rapmetal over problemen van zwarte Amerikanen in het grootstedelijke Amerika van 1992 luisterde. Je had in muziek eigenlijk maar twee soorten: muziek die je goed vond en meezong, en muziek die je niet goed vond. Dit jaar kwam Body Count met een uitstekend nieuw album, dat Bloodlust heet. Nostalgie zal zeker een van de redenen zijn waarom ik dit een goede plaat vind. De sound werd lekker behouden en klinkt met de productie van vandaag natuurlijk strakker en vetter. En Ice T is nog even agressief als vroeger. Ook nog een even grote onnozele gangster als vroeger, maar hij is dan ook Ice mothafuckin' T, bitch. Maar als deze plaat iets doet in 2018, dan is het wel tonen wat er niet, en wat er wel veranderd is ten opzichte van 1992. Niet veranderd is dat een plaat over onrecht, racisme, politiegeweld en holle slogans vandaag eerder meer dan minder actueel is. Een nummer als No Lives Matter hakt er niet gewoon in, het hakt er los door. Waar de plaat uit 1992 bij momenten lekker over the top en daardoor ook in zekere zin humoristisch was, denk je nu: eerder om te huilen dan om te lachen, dat we hier 26 jaar later weer staan. En wat veranderde er? Welja, al de rest. Kruideniers bestaan niet meer, goede bakkers ook niet. De wereld is, in een poging om labels van mensen te verwijderen, aan het vervallen in een schreeuwerige ruzie waar het enkel nog over labels gaat. Net zoals dat ene huis met de roepende moeder in de straat in het dorp, zou ik onze tijd, mocht zoiets kunnen, maar snel voorbijstappen.