De punk-en-hardcore-underground was in het Vlaanderen van de late jaren negentig verdeeld per territorium. Ik had het geluk in het Leuvense op te groeien, waar de scene heel optimistisch en vriendelijk was. Brussel was best wel gewelddadiger qua stijl, Antwerpen was tof maar moest natuurlijk wat cooler doen dan de rest. Limburgers leken hard maar vielen wel mee. Kortom, alle stereotiepen schemerden er wel wat in door.
...

De punk-en-hardcore-underground was in het Vlaanderen van de late jaren negentig verdeeld per territorium. Ik had het geluk in het Leuvense op te groeien, waar de scene heel optimistisch en vriendelijk was. Brussel was best wel gewelddadiger qua stijl, Antwerpen was tof maar moest natuurlijk wat cooler doen dan de rest. Limburgers leken hard maar vielen wel mee. Kortom, alle stereotiepen schemerden er wel wat in door. Ik speelde wel in bandjes, maar de leiders van de scene waren toen minstens een jaar of vijf ouder dan ik. De sfeer die werd gezet, was schijnbaar dubbelzinnig, in die zin dat respect heel belangrijk was, maar de aard van de hele beweging natuurlijk ook antiautoritair en antibullshit was. Wat ik alleszins van die periode heb overgehouden, is net die balans nastreven tussen respect en de inherente kwaliteit om te allen tijde, in gelijk welke context, twee dikke middenvingers op te kunnen steken en fuck you te zeggen. Heel die DIY-cultuur leerde je ook dat je heel veel alleen kunt, zonder truttige hulp, zonder een baas die zegt hoe of wat. En dat gelijk welke situatie met een machtsstructuur niks meer is dan een constructie in het voordeel van diegene die de macht heeft. Toen ik onlangs weer berichten las over de culturele sector en de media, naar aanleiding van de beschuldigingen tegen Jan Fabre, moest ik daaraan denken. Voor de duidelijkheid: ik heb het nu niet over die zaak op zich of concrete gevallen van machts- of zelfs seksueel misbruik, maar over het idee dat de kunstwereld bestaat uit slachtoffers en een paar mensen die niet omkunnen met hun positie of relatieve macht en die dus uitbuiten. Elke kunstenaar die professioneel wil zijn en blijven, staat voor een moeilijke uitdaging. Namelijk om zijn kwetsbaarheid en verwondering te beschermen, en tegelijk niet één maar liefst vijf olifantenvellen over elkaar te kweken. En beide kwaliteiten zijn cruciaal voor wie succesvol wil zijn. Een olifantenvel wil overigens niet zeggen dat je alles moet aanvaarden. Het wil zeggen dat je gewapend bent tegen het gif en de tegenslag die je zult tegenkomen, en vooral ook dat je in gelijk welke situatie kunt opstaan en zeggen: al dan niet met respect, maar fuck you. Ook tegen over het paard getilde idioten als Jan Fabre. Niemand heeft een Jan Fabre nodig, buiten hijzelf. En vul gerust eender welke andere naam in zijn plaats in. Echt eender welke. Trouwens: niemand heeft respect voor macht op zich. Schrik voor macht? Ja. Jaloezie op, of een obsessie met macht? Zeker. Maar respect? Niemand. Respect heb je voor mensen die inspireren of raken, voor zaken die groter zijn dan wij, zoals de natuur of de liefde. Een kunstenaar daarentegen - danser, violist, graffitiartiest, zanger, wie dan ook - heeft een schoonheid in zich. De kracht om mensen te ontroeren of te troosten of te agiteren of even naar een andere plek te voeren, om de monotonie van de lelijkheid te doorbreken. Dat staat zoveel hoger dan gelijk welke idioot die de baas wil kunnen spelen. Dus hier zijn ze, mijn twee dikke middenvingers.