Een man van 79 staat vingerknippend over een mengtafel gebogen. Hij maalt kauwgom alsof WO II net voorbij is en legt iets uit aan een hell's angel op jaren, die zich over zijn embonpoint heen aan diezelfde mengtafel vastklampt om niet omver te vallen van bewondering. Dit beeld in artistiek zwart-wit is de enige juiste samenvatting van McCartney 3, 2, 1, de interviewreeks van de Amerikaanse betaalzender Hulu die vorige week op Disney+ werd gedropt.
...

Een man van 79 staat vingerknippend over een mengtafel gebogen. Hij maalt kauwgom alsof WO II net voorbij is en legt iets uit aan een hell's angel op jaren, die zich over zijn embonpoint heen aan diezelfde mengtafel vastklampt om niet omver te vallen van bewondering. Dit beeld in artistiek zwart-wit is de enige juiste samenvatting van McCartney 3, 2, 1, de interviewreeks van de Amerikaanse betaalzender Hulu die vorige week op Disney+ werd gedropt. De hell's angel naast Paul McCartney is niemand minder dan Rick Rubin, een producer met een vitrinekast vol Grammy's en een stevige hand in de carrière van acts als de Beastie Boys, Slayer, Red Hot Chili Peppers, Dixie Chicks en Johnny Cash. Hun drie uur durende conversatie werd opgedeeld in zes partjes van een halfuur. Er zijn ook archiefbeelden, maar niet veel. De twee praten onder andere over de invloeden van The Beatles, de avonturen van de jonge Paul met zijn schoolmakker George Harrison en zijn werkrelatie met John Lennon. Maar meestal gaat het gewoon over de liedjes en moeten ze hun stem verheffen om boven het geluid van alweer een klassieker uit te komen. Rubin trekt een schuif van het mengpaneel open, Paul doet een andere weer dicht. Hij gaat aan de piano zitten om zijn woorden te illustreren. En hoewel ze de songs als kikkers in de biologieles ontleden, gaat er geen flinter van de magie verloren. Recensenten hebben McCartney 3, 2, 1 vergeleken met de commentaartracks die in de jaren 2000 vaak als extraatje op dvd's verschenen, waarin regisseurs vertelden hoe hun film gemaakt was terwijl je ernaar keek. Dat is inderdaad wat hier ook gebeurt. Hoewel Rubin zich bescheiden opstelt, bepaalt hij de koers. En als audiofiel is hij meer geïnteresseerd in vreemde geluidjes dan in de emotie die aan een bepaalde song ten grondslag lag. Dat leidt tot vragen als deze: 'Hoe heb je dit gedaan?' 'Welk instrument was dat?' 'Wie heeft deze pianopartij ingespeeld?' Waarop Paul antwoordt: 'Ik denk dat het George Martin was. Die arpeggio's waren te moeilijk voor mij.' Het belang van George Martin als producer en vaderfiguur wordt uitvoerig benadrukt. Hij was volgens McCartney verantwoordelijk voor de orkaankracht van het openingsakkoord van A Hard Day's Night. Hij arrangeerde de strijkers voor onder meer Eleanor Rigby. Maar zijn grootste verdienste is dat hij de uren geduldig liet wegtikken terwijl zijn poulains aan het spelen waren. Als Rubin bij Maxwell's Silver Hammer naar een bepaalde klank informeert, antwoordt McCartney: 'Dat is een moog. Robert Moog was die dag met zijn apparatuur in Abbey Road, en wij dachten: "Dit moeten we gebruiken!"' Waarop Martin in gedachten een extra dag studiotijd inboekte. Ook voor Ringo Starr, de enige andere Beatle die nog in leven is, is McCartney heel genereus. Hij vertelt hoe hij en de andere Beatles naar hem opkeken toen ze hem in Hamburg leerden kennen. Hoe er iets klikte toen hij een keer inviel voor hun eerste drummer Pete Best. En hoe het oeuvre van de groep gekleurd werd door zogenaamde ringo-isms, uitspraken die nét niet klopten, zoals ' A Hard Day's Night' en ' Tomorrow Never Knows'. Waarop Rubin begint te schuiven en iets laat horen waar je eigenlijk nooit bij stilstaat: dat Ringo en Paul samen de wonderlijke ritmesectie van The Beatles vormden. Het gaat in de vier afleveringen die wij hebben gezien zo zelden over McCartneys werk na The Beatles, dat de keren dat het wel gebeurt geforceerd aanvoelen. De James Bond-tune Live and Let Die (1973) en de Wings-klassieker Band on the Run (ook 1973!) zijn natuurlijk verplichte nummers, maar die laatste song wordt eigenlijk voornamelijk gebruikt als aanleiding voor een anekdote over de door McCartney bewonderde Nigeriaanse muzikant Fela Kuti, die we eigenlijk al kenden. Het is, nu we toch streng zijn, een gewaarwording die tijdens McCartney 3, 2, 1 wel vaker opduikt. Alles wat The Beatles aangaat werd in zoveel boeken en documentaires verteld, geanalyseerd en becommentarieerd dat er voor de fans weinig nieuwe verhalen te rapen vallen. Iedereen heeft weet van de concurrentieslag met Brian Wilson, die eerst tot Pet Sounds (1966, The Beach Boys) en vervolgens Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band (1967, The Beatles) leidde. Of dat Lennon en McCartney zichzelf als beginnende songschrijvers vergeleken met Phil en de vorige maand overleden Don Everly. Het is dus verstandig dat Rick Rubin steevast naar de songs terugkeert, ook al omdat zijn gesprekspartner geen John Lennon is: politieke of anderzijds opzienbarende uitspraken hoef je van hem niet te verwachten. Ook op zijn 79e is hij gewoon Paul McCartney, een jongen uit Liverpool die ondanks de vroege dood van zijn moeder warme herinneringen aan zijn jeugd koestert. Hij groeide op, vond drie vrienden met dezelfde passie en ontpopte zich kauwgommend als een van de grote genieën van de popmuziek. Meer was er, als je het hem hoort vertellen, niet aan de hand, maar zijn positivisme heeft onmiskenbaar een stempel op de afgelopen halve eeuw gedrukt: zonder Paul had alles er nog grauwer uitgezien.