Als kind heb ik lang moeite gehad met bepaalde scheldwoorden. Zo vond ik 'mongool', 'debiel' en het toen populaire 'spast' te ver gaan. Ze klonken zo gemeen en maakten gebruik van mensen die zich niet konden verzetten. Ik denk niet dat ik de woorden niet durfde te gebruiken, maar het voelde gewoon niet goed aan, dus ik deed het niet. Zij die het wel deden, leken me cynisch en ongevoelig. Wat nog niet de bedoeling kan zijn in het vijfde leerjaar.
...

Als kind heb ik lang moeite gehad met bepaalde scheldwoorden. Zo vond ik 'mongool', 'debiel' en het toen populaire 'spast' te ver gaan. Ze klonken zo gemeen en maakten gebruik van mensen die zich niet konden verzetten. Ik denk niet dat ik de woorden niet durfde te gebruiken, maar het voelde gewoon niet goed aan, dus ik deed het niet. Zij die het wel deden, leken me cynisch en ongevoelig. Wat nog niet de bedoeling kan zijn in het vijfde leerjaar. Enkele jaren en een paar ton hormonen later waren er weinig woorden waar ik nog moeite mee had. Ik weet dat het gebruiken van bepaalde termen me dat dubbele gevoel gaf dat bij ouder worden hoort. Het was het ontdekken van nieuw terrein, wat altijd tegelijk lekker opwindend en een beetje angstaanjagend is. Ook leek ik toen al te denken dat harder worden nu eenmaal nodig is om groot te worden. Eigenlijk werkt het zo: we kiezen bepaalde woorden omdat ze choqueren. Dat is de bedoeling van de vloek, en dat kan fijn zijn en het heeft zeker allerlei stressverwerkende functies. Er zijn helaas niet zoveel gebieden om uit te putten: geloof, seks, ontlasting en ziektes. Na enige tijd worden de woorden echter gewoon abstract. We bedoelen ze al lang niet meer letterlijk en daarom neemt de choquerende waarde af. Ze worden uiteindelijk deel van de populaire cultuur en in zekere zin verburgerlijken ze. Daarop ontstaan weer nieuwe, zogezegd ergere krachttermen, en zo gaat dat door. Maar in de laatste jaren is er een mentaliteit ontstaan waar we toch weer naar de waarde van de woorden gaan kijken. Zo gebruikte ik als tiener onder vrienden wel eens 'homo' of 'janet'. Dat deed iedereen toen. Vandaag gebruik ik dat niet meer, en dat lijkt ook maar normaal. Terwijl er wel goed met homo's gelachen kan worden. Ze hebben altijd roze kleren en rolschaatsen aan en praten zonder uitzondering met superhoge stemmetjes. Haha! Homo's toch... Maar de aanname dat iemand beledigd zou moeten zijn omdat hij een homo wordt genoemd, is anno 2018 gewoon veel te onnozel. Ik denk dat dat vooruitgang heet. Ik merk dat het me weer dat smerige, onaangename gevoel geeft. Onder meer omdat het een toegift is aan slechte smaak en een dommere versie van mezelf. In die zin zit ik dus weer in het vijfde leerjaar. 'Hoer' heb ik om die reden ook nooit gebruikt. 'Slet' misschien wel, maar enkel bij mensen die ik echt heel graag heb en van wie ik weet dat dat wederzijds is. Elkaar kunnen uitschelden is namelijk ook een graadmeter voor genegenheid. Enkel mijn beste vrienden en mijn ergste tegenstanders zullen mij met dezelfde gruwelijkheden benoemen. Ik denk dat het goed is dat we het gebruik van bepaalde woorden in vraag stellen. Net zoals onze kleren en kapsels moeten ook onze scheldwoorden mee evolueren. Maar we mogen ons niet blindstaren op de woorden zelf. De volgorde is: eerst de realiteit en de mentaliteit tijd geven om te veranderen, dan volgen de woorden uiteindelijk ook wel. Het omgekeerde is helaas een illusie, beste janetten.