'Normaal hebben we een naam zonder lichaam, nu hebben we een lichaam zonder naam.'
...

'Normaal hebben we een naam zonder lichaam, nu hebben we een lichaam zonder naam.' Guido Van Rillaer staart naar de foto van een man in een ziekenhuisbed. De man zonder naam liep langs de spoorweg in Mortsel. Mensen zagen hem, noemden hem verward en belden de ziekenwagen. Nu onderzoekt Van Rillaer zijn foto. 'Een typische neusgatenfoto', legt hij uit. Hij kan er niets mee. Om een opsporingsbericht te plaatsen heeft hij een frontale foto nodig. Het zijn van die wist-je-datjes uit De cel vermiste personen. 25 jaar geleden, in de zomer waarin in België jonge meisjes verdwenen, werd de cel opgericht om alle informatie over onrustwekkende verdwijningen te bundelen. Enkele maanden liep Fatma Taspinar mee in hun sporen, net in het jaar dat begon met de verdwijning van de zoon van twee van haar collega's: Frederik Vanclooster. Het was eenvoudig, en zelfs begrijpelijk geweest, om deze emotionele troefkaart uit te spelen. De zoektocht naar Vanclooster stond ook centraal in de eerste aflevering, maar op een warme, afstandelijke en respectvolle manier. 'Het enige wat je niet wil zijn, is ouder van een vermist kind', vertelt Alain Remue. Terwijl zijn team speurt naar een lichaam van Vanclooster, houdt Taspinar zich op de vlakte. Ik vermoed dat dit deze reportagereeks zo sterk maakt. Het professionalisme van Taspinar, maar evengoed de diepe menselijkheid van de leden van het team. Ook al verdiepen ze zich al 25 jaar in dossiers van mensen die onvindbaar zijn, het lijkt er oprecht op dat ze elk van die namen en gezichten ter harte nemen. De oprichting, herinnert Remue zich voor de deur van hun vroegere kantoor, gebeurde in allerijl. Er verdwenen kinderen en het kabinet besloot dat er iets moest gebeuren. Het kabinet belde naar de generaal, de generaal belde naar de kolonel, de kolonel belde naar de majoor en de majoor keek naar hem. 'Gij komt pas van school. Gij kunt een actieplan maken.' Remue knikte. Waarop de majoor naar de kolonel belde en zo verder door tot bij het kabinet. 'Het moest snel gaan.' Van Rillaer lacht bij de herinnering. Hij was het trouwens die als eerste de naam Marc Dutroux op zijn computer zag flikkeren. Hij overliep een lijst van 78 nummerplaten en daar stond hij: de naam die hij al eerder gehoord had. 'Jij hebt de zaak opgelost?' wilde Taspinar weten. Ze stond met hem aan de sporthal waar Laetitia in de zomer van 1996 het laatst gezien was. Minder dan een jaar na de oprichting van de cel had ze een eerste zaak opgelost. Een van de grootste, bekendste en meest traumatische uit haar bestaan. Een succes, zou je denken. Maar daar kneep Van Rillaer zijn ogen tot spleetjes. 'Zo is het niet in beeld gekomen. Daar heb ik het wel wat moeilijk mee.' De cel werd meegesleept in het publieke wantrouwen dat ontstaan was door de vele misstappen die waren begaan in het dossier van de verdwenen meisjes. Plots werd de man die de punten met elkaar had verbonden ervan verdacht informatie te hebben achtergehouden. Hij werd over de hele lijn vrijgesproken, maar het hakte erin. Misschien omdat hij zo'n man is die geen muur om zijn hart kan bouwen. 'Igor Tymts', verschijnt er plots op de telefoon van Van Rillaer. De naamloze man heeft opnieuw een naam. De Nederlandse politie zocht hem. Die zal het nu van Van Rillaer overnemen. Hij knikt aan de telefoon en zegt zachtjes 'o'. Als hij ophangt, kijkt hij over zijn computer zijn collega aan. 'Ze komen de man halen.' 'Wat goed.' 'Om hem uit het land te zetten.' Van Rillaer staat recht en zegt: 'Nu ja, voor mij stopt het hier. Zaak opgelost.' Maar het knaagt. Hij is geen man die ongevoelig kan zijn.