Manteau
© Manteau

Walter White

Ze hoest niet meer. Misschien is ze weer in slaap gevallen. Opeens loopt er braaksel uit haar mond. Ze klauwt naar de lakens. Ze stikt. Instinctief wil ik haar omdraaien.

Maar ik houd me in.

Waarom zou ik haar redden? Deze kleine junk, deze Jane, wil me chanteren. Ze wil de politie inlichten over mijn bedrijfje, alles waar ik zo hard voor heb gewerkt kapotmaken en het spaarpotje vernietigen dat ik mijn gezin wil nalaten - het enige wat ik hun kán nalaten.

Ze rochelt, hapt naar adem. Haar ogen draaien weg. Ik voel me plotseling schuldig. Godver, het is nog maar een kind. Doe iets!

Maar als ik nu ingrijp, stel ik het onvermijdelijke dan niet gewoon uit? Op zeker moment gaan ze er toch allemaal aan? En dan die stomme slome duikelaar van een Jesse, mijn partner, die naast haar ligt. Tenslotte is hij door haar in deze rotzooi beland. Ze vermoordt ze allebei, ons allemaal, als ik nu ingrijp en voor God speel.

Ik zeg tegen mezelf dat ik me erbuiten moet houden. Als hij wakker wordt, ontdekt hij dit drama - dit ongeluk - zelf wel. Ja, het is triest. De dood is altijd triest. Maar hij komt er wel overheen. Zoals hij ook alle andere shit heeft overleefd die we hebben meegemaakt. Zo gaat dat bij mensen. We krabbelen op en gaan weer verder. Over een paar maanden herinnert hij zich haar amper nog. Een ander meisje kruist zijn pad en hij is weer helemaal oké. Fuck it. We moeten allemaal verder.

Ik doe gewoon alsof ik er niet bij was.

Maar ik ben hier wel.

En zij is een mens.

God, wat is er van mij geworden?

Ik ben Walter White niet meer. Ik ben Bryan Cranston en ik zie mijn dochter sterven.

En dan, als ze wegglijdt, is ze opeens niet meer wie ze is. Ik kijk niet naar Jane, niet naar het vriendinnetje van Jesse, niet naar actrice Krysten Ritter. Ik kijk naar Taylor, mijn dochter, mijn echte dochter. Ik ben Walter White niet meer. Ik ben Bryan Cranston en ik zie mijn dochter sterven.

Vanaf het moment van haar geboorte in 1993 - iets te vroeg, net geen drieënhalve kilo zwaar en onwaarschijnlijk mooi - ben ik vervuld van een diepe, verpletterende, onvoorwaardelijke liefde die het begrip liefde opnieuw heeft gedefinieerd. Ik heb er nooit over willen nadenken dat ik haar zou kunnen verliezen. Maar nu zie ik het voor me. Duidelijk. Tastbaar. Ze ontglipt me. Ze gaat dood.

Dat is niet de bedoeling. Als ik zo'n delicate scène bestudeer, doe ik dat niet volgens een plan. Als ik me voorbereid op een scène teken ik niet elke actie en reactie haarfijn uit, maar probeer ik te ontdekken wat voor emoties mijn personage zou kúnnen ervaren en in welke mate. Ik verdeel zo'n fragment in momenten, in muziekmaten haast. Als ik dat tijdig genoeg doe, houd ik verschillende mogelijkheden open. Op die manier sta ik open voor het moment en kan ik me voegen naar wat er ook komt. Dat huiswerk biedt geen garanties, maar als het een beetje meezit, creëer je de kans dat er iets échts gebeurt.

Bij die scène met Jane grijpt echte angst me bij de keel - mijn ergste nachtmerrie. Een angst die ik niet verwacht of kan bedwingen. En dan komt mijn reactie, meteen vereeuwigd, aan het einde van die scène: ik snak naar adem en beweeg vol afgrijzen mijn hand naar mijn mond.

Als regisseur Colin Bucksey cut roept, huil ik. Met diepe lange halen. Ik vertel de mensen op de set wat er is gebeurd, wat ik heb gezien. Cameraman Michael Slovis omhelst me. De andere acteurs ook. Ik herinner me nog voornamelijk Anna Gunn, die de rol van mijn echtgenote Skyler speelt. Ik omarm haar. Ik houd haar wel vijf minuten vast. Arme Anna.

Anna begrijpt het. Als actrice heeft zij iets heel kwetsbaars en vaak vindt ze het moeilijk om na het draaien van een moeilijke scène uit haar personage te kruipen. Zoiets kom je tegen als acteur, en mij overkomt het die dag. Het is de schokkendste scène die ik heb gespeeld in Breaking Bad. En zelfs in mijn hele carrière.

Het klinkt misschien raar, macaber zelfs, om in een ruimte vol mensen, lampen en camera's te doen alsof ik een meisje laat stikken en dan het gezicht van mijn dochter te zien in plaats van het meisje. En om dat je 'werk' te noemen. Voor mij is dat helemaal niet raar. Acteurs zijn vertellers en vertellen is de kern van elke kunst. Het maakt dat mensen begrijpen wie ze zijn.

Ik wil dit niet pretentieus of hoogdravend laten klinken, want dat is het niet. Het gaat om discipline en oefening en mislukking en volhouden en stom geluk en blind vertrouwen en toewijding. Het is 'er staan' terwijl je helemaal geen zin hebt, doodmoe bent en het idee hebt dat je niet meer verder kunt. Die 'transcendente' momenten doen zich voor als je een solide ondergrond hebt gelegd en als je openstaat voor het moment. Die ogenblikken doen zich voor wanneer je aan het werk bent. Uiteindelijk draait het om het werk.

Tijdens de opnames van Breaking Bad sta ik elke dag op rond halfzes. Ik drink koffie, neem een douche en kleed me aan. Soms ben ik zo moe dat ik niet meer weet of ik net ben aangekomen of juist vertrek. Ik stap in de auto voor de vijftien kilometer van mijn flat in Nob Hill naar de Q Studios, acht kilometer ten zuiden van de luchthaven van Albuquerque - of ABQ (eej-biekjoe), zoals de bewoners hun stad noemen. Tegen halfzeven zit ik in de stoel bij de visagiste en scheer ik mijn kop opnieuw kaal. Weg met de stoppels. Het schminken zelf duurt niet lang. Om zeven uur komen we allemaal samen - acteurs, filmploeg - en dan beginnen de repetities.

Tijdens de opnames van Breaking Bad sta ik elke dag op rond halfzes. Ik drink koffie, neem een douche en kleed me aan. Soms ben ik zo moe dat ik niet meer weet of ik net ben aangekomen of juist vertrek.

Dagelijks wordt er twaalf uur gefilmd. Plus een uurtje voor de lunch. Een normale werkdag duurt dus dertien uur. Zelden korter, soms langer. We maken ook dagen van zeventien uur, vooral als we op locatie draaien. Op een gewone dag kappen we ermee om acht uur 's avonds. Dan pak ik nog gauw een broodje en een appel voor onderweg. Ik wil geen tijd verliezen door nog ergens te stoppen. In de auto bel ik mijn vrouw Robin. Hoe gaat het? Ja, lange dag. Ik wil weten hoe het met haar gaat. Vraag haar naar Taylor. Ik hang meestal nog aan de telefoon als ik het huis binnenloop. Ik zeg welterusten en eet mijn broodje terwijl ik kijk wat er voor de volgende dag op het programma staat. Ik neem een warm bad met een glas rode wijn en kruip in bed.

Er is nog één ding dat ik doe voor ik vertrek van de set: ik stap de trailer van de grime binnen en pak twee hete, natte handdoeken die mijn vrienden van de make-up al voor me hebben klaargelegd. Ik drapeer er eentje over mijn hoofd en eentje over mijn gezicht. In de stoel laat ik alles losweken, voel ik al het gif uit mijn lichaam wegtrekken. Ik blijf zitten tot de handdoeken koud worden op mijn gezicht; ik laat Walter White uit mijn lichaam trekken.

De dag dat ik Jane zie sterven - dat ik Taylors gezicht zie - die dag dat ik op een plek kom waar ik nooit eerder ben geweest, open ik mijn ogen en staar door de dunne stof van de witte handdoek naar de lamp boven mijn hoofd. Ik heb alles, echt álles in die scène gestoken. Alles wat ik ben en alle dingen die ik zou kunnen zijn, alle dwalingen en omwegen. Alle aarzelende successen en mislukkingen die het voor me hadden kunnen verknallen. Ik ben moorddadig en in staat echt lief te hebben. Ik ben een slachtoffer gebonden door mijn omstandigheden en ik ben het gevaar zelf. Ik ben Walter White.

Maar ik ben nog nooit zozeer mezelf geweest.

Zoon

Mijn ouders ontmoeten elkaar zoals de meeste mensen: tijdens een acteeropleiding in Hollywood.

Mijn moeder is geboren als Annalisa Dorthea Sell, maar iedereen noemt haar Peggy. Peggy is een impulsieve meid, vrolijk, een flirt. Als jong meisje heeft ze iets volkomen onschuldigs. Ze is typisch een van die blonde schattige meisjes met blauwe ogen die hun hele leven al te horen hebben gekregen dat ze bij de film moeten. Na twee jaar een baantje te hebben gehad bij de kustwacht en een mislukt eerste huwelijk met ene Easy verruilt ze Chicago voor Los Angeles, het land van de loze beloften, en belandt daar in een routine van audities en acteerlessen.

Pap brengt ook weleens rekwisieten mee voor mijn broer en mij: soldatenhelmen, insignes, uniformen. Later besef ik dat hij die 'leent' en naderhand terugbrengt.

De waslijst van staten waar mijn vader, Joseph Louis Cranston, is opgegroeid, is zo lang dat ik ze nooit allemaal kan onthouden: Illinois, Texas, Florida, Californië, New York. Als jongetje verdenk ik hem ervan uit een familie van oplichters te komen. Alleen criminelen kunnen zo 'ontworteld' leven. Als kinderen die om de paar maanden op een nieuwe school terechtkwamen, werden mijn vader en zijn broer Eddie vaak gepest. Daarom leerde mijn grootvader de twee vechten. Geen straatvechterstrucs, maar de aanvaardbare methode: de boksschool. De gebroeders Cranston hadden talent. Mijn vader won met boksen een studiebeurs aan de universiteit van Miami. Hij vocht overal langs de Oostkust, zowel binnen als buiten de ring. In mijn vroegste herinneringen ligt mijn pa altijd met iets of iemand in de clinch.

En hij kon goed vertellen.

De knappe bokser/verteller en de blonde flirt met haar blauwe ogen vallen als een blok voor elkaar. Dat gebeurt vaak op acteeropleidingen. Na een paar jaar stappen ze in het huwelijksbootje in de Little Brown Church in de Valley, het kerkje aan de Coldwater Canyon Avenue in Studio City. Mijn moeder wordt een typische huisvrouw van de jaren vijftig: alles wat ze heeft bereikt, laat ze vallen voor haar nieuwe man en diens droom filmster te worden. Ze kopen een bescheiden rijtjeshuis en volgen ook verder het draaiboek netjes.

Mijn broer Kim komt als eerste in 1953, ik word in 1956 geboren en in 1962 dient mijn zus Amy zich aan. We wonen dan in Canoga Park in een huis met één verdieping aan de McNulty Avenue op nummer 8175. Fysiek dicht genoeg bij Hollywood, maar toch een wereld daarvandaan: de Valley - misschien nog het best bekend voor de lijzige strandstijl van spreken. De seizoenen in de Valley gaan vrij onopvallend in elkaar over. In de warme maanden, als de luchtvervuiling een gevaarlijk niveau bereikt, komen we niet veel buiten. We hebben meer smog- dan sneeuwdagen en maken 'smogengeltjes' in het verdorde gras.

Mama is Avon-vertegenwoordigster, vrijwilligster bij het blindeninstituut, gastvrouw op Tupperware-avonden, teammoeder van onze sportploegjes en lid van de oudervereniging. Elk jaar naait ze zelf onze Halloweenkostuums. Papa coacht onze teams. Hij is dol op honkbal en dus ben ook ik dol op honkbal. Nog steeds trouwens.

Alle jongens uit de buurt vechten aan één stuk door tegen Duitsers of Japanners of indianen. We hebben totaal geen benul van geschiedenis of oorlog of waarom dit onze vijanden zijn. Het is gewoon zo.

Op mijn vierde of vijfde ga ik met papa naar een wedstrijd van de Dodgers. Het team is van Brooklyn naar LA verhuisd, maar heeft nog geen stadion en speelt vier seizoenen, van 1958 tot 1961, in het Los Angeles Memorial Coliseum. Het Coliseum was een football- en atletiekstadion en heeft dan ook rare afmetingen voor een honkbalveld - een enorm rechtsveld en een ondiep linksveld - zoals Fenway Park in Boston. Ze hebben een hoog scherm boven het hek van het linksveld geplaatst. Om een homerun te slaan, moet een slagman over het scherm slaan. En ook al is het linksveld kort, dat scherm is onnoemelijk hoog. Bijna dertien meter. Het groene monster, de wereldberoemde afscherming van het linksveld van Fenway, is twee meter lager.

Wally Moon, een speler afkomstig uit de katoenvelden van Arkansas, is een crack in het slaan van homeruns over dat net. Hij maakt van zijn swing een uppercut en mept de bal zo hoog dat het is alsof hij een blauw gat in het mistige wolkendek slaat: homerun. Mensen noemen deze hoge slagen moon shots. Ik zie de bal een moment van ademloze spanning in de lucht hangen - een pop-up, eigenlijk - en dan volgt het gejuich. Roem. Dat tart mijn verbeelding: uithalen voor het onmogelijke, mikken op de maan.

Zelfs toen de Dodgers in 1962 hun nieuwe thuisbasis in Chavez Ravine hadden betrokken en toen het bij ons thuis allemaal fout begon te lopen, wist ik dat ik kon rekenen op de geur van vers gemaaid gras, op Vin Scully die met zachte stem de wedstrijd verslaat op de radio, op de strakke symmetrie van het honkbalveld. De hoop die je durft te koesteren met runners op de honken en geen spelers uit.

Mijn vader neemt ons geregeld mee naar de opnamestudio's waar hij als acteur werkt. Op een dag komt hij thuis met een verrassing. Hij opent een trailer die hij achter de auto heeft gehangen. En als we in de donkere, naar stront stinkende metalen box turen, staat daar... een ezel! Die ezel zal me mijn hele leven bijblijven. Tom heet het beest en mijn vader houdt hem een tijdje in onze achtertuin. Alle jongens en meisjes uit de buurt komen hem bewonderen en willen een ritje maken. Na een maand of twee in de tuin vertrekt Tom weer naar waar hij vandaan komt. Dag Tom. Leuk kennis te hebben gemaakt.

Pap brengt ook weleens rekwisieten mee voor mijn broer en mij: soldatenhelmen, insignes, uniformen. Later besef ik dat hij die 'leent' en naderhand terugbrengt. Rekwisieten op een set worden zorgvuldig in de gaten gehouden, het is geen speelgoed, maar wij waren er verzot op.

Als mijn vader namaakgeweren meebrengt, spelen we oorlogje. Alle jongens uit de buurt vechten aan één stuk door tegen Duitsers of Japanners of indianen. We hebben totaal geen benul van geschiedenis of oorlog of waarom dit onze vijanden zijn. Het is gewoon zo.

En plotseling is daar de nieuwslezer op tv die zegt: 'We onderbreken dit programma voor een bijzondere mededeling.' Nog jarenlang bal ik bij die mededeling mijn vuisten.

Een buurjongetje zegt: 'We spelen niet meer met wapens.' We zijn dol op wapens, maar gooien ze nu weg, alsof we met dat gebaar iets kunnen veranderen aan de gang van zaken.

Een sombere Walter Cronkite verschijnt op het scherm. 'Uit Dallas, Texas, het bericht, blijkbaar officieel, dat president Kennedy om één uur is gestorven.' Ik zie hoe Cronkite zijn bril afneemt. Hij is niet langer de stoïcijnse journalist. Hij heeft zijn masker afgezet en is gewoon een man, overrompeld door de omvang en de schok van het verlies.

Ik hoor een snik en dan is er paniek. Mijn moeder huilt en lijkt wanhopig. Ze is de hele dag niet van de telefoon weg te slaan. Alsof mijn broer en ik zoek zijn. Voortdurend zijn de volwassenen op zoek naar meer nieuws. Mijn vader komt plechtig thuis. De buren komen langs. Ze proberen elkaar gerust te stellen dat het allemaal goed zal komen. Ik begrijp het niet echt, maar snap wel dat het ernstig is. En nu krijgen we een nieuwe president: Lyndon Johnson. Hij praat gek. Ik weet niet of ik ooit eerder die lijzige, Texaanse manier van spreken heb gehoord. En zijn vrouw heeft een rare naam.

Onze ouders zijn kapot van het nieuws. We leren over leven en dood en angst en verdriet en opvolging. We weten niet wat we moeten doen. Een buurjongetje zegt: 'We spelen niet meer met wapens.' We zijn dol op wapens, maar gooien ze nu weg, alsof we met dat gebaar iets kunnen veranderen aan de gang van zaken. Het duurt niet lang. De urgentie slijt en het normale leven gaat verder. Het is een nieuw normaal.

Een leven in stukken van Bryan Cranston is verschenen bij Manteau.

Ze hoest niet meer. Misschien is ze weer in slaap gevallen. Opeens loopt er braaksel uit haar mond. Ze klauwt naar de lakens. Ze stikt. Instinctief wil ik haar omdraaien. Maar ik houd me in. Waarom zou ik haar redden? Deze kleine junk, deze Jane, wil me chanteren. Ze wil de politie inlichten over mijn bedrijfje, alles waar ik zo hard voor heb gewerkt kapotmaken en het spaarpotje vernietigen dat ik mijn gezin wil nalaten - het enige wat ik hun kán nalaten. Ze rochelt, hapt naar adem. Haar ogen draaien weg. Ik voel me plotseling schuldig. Godver, het is nog maar een kind. Doe iets! Maar als ik nu ingrijp, stel ik het onvermijdelijke dan niet gewoon uit? Op zeker moment gaan ze er toch allemaal aan? En dan die stomme slome duikelaar van een Jesse, mijn partner, die naast haar ligt. Tenslotte is hij door haar in deze rotzooi beland. Ze vermoordt ze allebei, ons allemaal, als ik nu ingrijp en voor God speel. Ik zeg tegen mezelf dat ik me erbuiten moet houden. Als hij wakker wordt, ontdekt hij dit drama - dit ongeluk - zelf wel. Ja, het is triest. De dood is altijd triest. Maar hij komt er wel overheen. Zoals hij ook alle andere shit heeft overleefd die we hebben meegemaakt. Zo gaat dat bij mensen. We krabbelen op en gaan weer verder. Over een paar maanden herinnert hij zich haar amper nog. Een ander meisje kruist zijn pad en hij is weer helemaal oké. Fuck it. We moeten allemaal verder. Ik doe gewoon alsof ik er niet bij was. Maar ik ben hier wel. En zij is een mens. God, wat is er van mij geworden? En dan, als ze wegglijdt, is ze opeens niet meer wie ze is. Ik kijk niet naar Jane, niet naar het vriendinnetje van Jesse, niet naar actrice Krysten Ritter. Ik kijk naar Taylor, mijn dochter, mijn echte dochter. Ik ben Walter White niet meer. Ik ben Bryan Cranston en ik zie mijn dochter sterven. Vanaf het moment van haar geboorte in 1993 - iets te vroeg, net geen drieënhalve kilo zwaar en onwaarschijnlijk mooi - ben ik vervuld van een diepe, verpletterende, onvoorwaardelijke liefde die het begrip liefde opnieuw heeft gedefinieerd. Ik heb er nooit over willen nadenken dat ik haar zou kunnen verliezen. Maar nu zie ik het voor me. Duidelijk. Tastbaar. Ze ontglipt me. Ze gaat dood. Dat is niet de bedoeling. Als ik zo'n delicate scène bestudeer, doe ik dat niet volgens een plan. Als ik me voorbereid op een scène teken ik niet elke actie en reactie haarfijn uit, maar probeer ik te ontdekken wat voor emoties mijn personage zou kúnnen ervaren en in welke mate. Ik verdeel zo'n fragment in momenten, in muziekmaten haast. Als ik dat tijdig genoeg doe, houd ik verschillende mogelijkheden open. Op die manier sta ik open voor het moment en kan ik me voegen naar wat er ook komt. Dat huiswerk biedt geen garanties, maar als het een beetje meezit, creëer je de kans dat er iets échts gebeurt. Bij die scène met Jane grijpt echte angst me bij de keel - mijn ergste nachtmerrie. Een angst die ik niet verwacht of kan bedwingen. En dan komt mijn reactie, meteen vereeuwigd, aan het einde van die scène: ik snak naar adem en beweeg vol afgrijzen mijn hand naar mijn mond.Als regisseur Colin Bucksey cut roept, huil ik. Met diepe lange halen. Ik vertel de mensen op de set wat er is gebeurd, wat ik heb gezien. Cameraman Michael Slovis omhelst me. De andere acteurs ook. Ik herinner me nog voornamelijk Anna Gunn, die de rol van mijn echtgenote Skyler speelt. Ik omarm haar. Ik houd haar wel vijf minuten vast. Arme Anna. Anna begrijpt het. Als actrice heeft zij iets heel kwetsbaars en vaak vindt ze het moeilijk om na het draaien van een moeilijke scène uit haar personage te kruipen. Zoiets kom je tegen als acteur, en mij overkomt het die dag. Het is de schokkendste scène die ik heb gespeeld in Breaking Bad. En zelfs in mijn hele carrière. Het klinkt misschien raar, macaber zelfs, om in een ruimte vol mensen, lampen en camera's te doen alsof ik een meisje laat stikken en dan het gezicht van mijn dochter te zien in plaats van het meisje. En om dat je 'werk' te noemen. Voor mij is dat helemaal niet raar. Acteurs zijn vertellers en vertellen is de kern van elke kunst. Het maakt dat mensen begrijpen wie ze zijn. Ik wil dit niet pretentieus of hoogdravend laten klinken, want dat is het niet. Het gaat om discipline en oefening en mislukking en volhouden en stom geluk en blind vertrouwen en toewijding. Het is 'er staan' terwijl je helemaal geen zin hebt, doodmoe bent en het idee hebt dat je niet meer verder kunt. Die 'transcendente' momenten doen zich voor als je een solide ondergrond hebt gelegd en als je openstaat voor het moment. Die ogenblikken doen zich voor wanneer je aan het werk bent. Uiteindelijk draait het om het werk. Tijdens de opnames van Breaking Bad sta ik elke dag op rond halfzes. Ik drink koffie, neem een douche en kleed me aan. Soms ben ik zo moe dat ik niet meer weet of ik net ben aangekomen of juist vertrek. Ik stap in de auto voor de vijftien kilometer van mijn flat in Nob Hill naar de Q Studios, acht kilometer ten zuiden van de luchthaven van Albuquerque - of ABQ (eej-biekjoe), zoals de bewoners hun stad noemen. Tegen halfzeven zit ik in de stoel bij de visagiste en scheer ik mijn kop opnieuw kaal. Weg met de stoppels. Het schminken zelf duurt niet lang. Om zeven uur komen we allemaal samen - acteurs, filmploeg - en dan beginnen de repetities. Dagelijks wordt er twaalf uur gefilmd. Plus een uurtje voor de lunch. Een normale werkdag duurt dus dertien uur. Zelden korter, soms langer. We maken ook dagen van zeventien uur, vooral als we op locatie draaien. Op een gewone dag kappen we ermee om acht uur 's avonds. Dan pak ik nog gauw een broodje en een appel voor onderweg. Ik wil geen tijd verliezen door nog ergens te stoppen. In de auto bel ik mijn vrouw Robin. Hoe gaat het? Ja, lange dag. Ik wil weten hoe het met haar gaat. Vraag haar naar Taylor. Ik hang meestal nog aan de telefoon als ik het huis binnenloop. Ik zeg welterusten en eet mijn broodje terwijl ik kijk wat er voor de volgende dag op het programma staat. Ik neem een warm bad met een glas rode wijn en kruip in bed. Er is nog één ding dat ik doe voor ik vertrek van de set: ik stap de trailer van de grime binnen en pak twee hete, natte handdoeken die mijn vrienden van de make-up al voor me hebben klaargelegd. Ik drapeer er eentje over mijn hoofd en eentje over mijn gezicht. In de stoel laat ik alles losweken, voel ik al het gif uit mijn lichaam wegtrekken. Ik blijf zitten tot de handdoeken koud worden op mijn gezicht; ik laat Walter White uit mijn lichaam trekken. De dag dat ik Jane zie sterven - dat ik Taylors gezicht zie - die dag dat ik op een plek kom waar ik nooit eerder ben geweest, open ik mijn ogen en staar door de dunne stof van de witte handdoek naar de lamp boven mijn hoofd. Ik heb alles, echt álles in die scène gestoken. Alles wat ik ben en alle dingen die ik zou kunnen zijn, alle dwalingen en omwegen. Alle aarzelende successen en mislukkingen die het voor me hadden kunnen verknallen. Ik ben moorddadig en in staat echt lief te hebben. Ik ben een slachtoffer gebonden door mijn omstandigheden en ik ben het gevaar zelf. Ik ben Walter White. Maar ik ben nog nooit zozeer mezelf geweest. Mijn ouders ontmoeten elkaar zoals de meeste mensen: tijdens een acteeropleiding in Hollywood. Mijn moeder is geboren als Annalisa Dorthea Sell, maar iedereen noemt haar Peggy. Peggy is een impulsieve meid, vrolijk, een flirt. Als jong meisje heeft ze iets volkomen onschuldigs. Ze is typisch een van die blonde schattige meisjes met blauwe ogen die hun hele leven al te horen hebben gekregen dat ze bij de film moeten. Na twee jaar een baantje te hebben gehad bij de kustwacht en een mislukt eerste huwelijk met ene Easy verruilt ze Chicago voor Los Angeles, het land van de loze beloften, en belandt daar in een routine van audities en acteerlessen. De waslijst van staten waar mijn vader, Joseph Louis Cranston, is opgegroeid, is zo lang dat ik ze nooit allemaal kan onthouden: Illinois, Texas, Florida, Californië, New York. Als jongetje verdenk ik hem ervan uit een familie van oplichters te komen. Alleen criminelen kunnen zo 'ontworteld' leven. Als kinderen die om de paar maanden op een nieuwe school terechtkwamen, werden mijn vader en zijn broer Eddie vaak gepest. Daarom leerde mijn grootvader de twee vechten. Geen straatvechterstrucs, maar de aanvaardbare methode: de boksschool. De gebroeders Cranston hadden talent. Mijn vader won met boksen een studiebeurs aan de universiteit van Miami. Hij vocht overal langs de Oostkust, zowel binnen als buiten de ring. In mijn vroegste herinneringen ligt mijn pa altijd met iets of iemand in de clinch. En hij kon goed vertellen. De knappe bokser/verteller en de blonde flirt met haar blauwe ogen vallen als een blok voor elkaar. Dat gebeurt vaak op acteeropleidingen. Na een paar jaar stappen ze in het huwelijksbootje in de Little Brown Church in de Valley, het kerkje aan de Coldwater Canyon Avenue in Studio City. Mijn moeder wordt een typische huisvrouw van de jaren vijftig: alles wat ze heeft bereikt, laat ze vallen voor haar nieuwe man en diens droom filmster te worden. Ze kopen een bescheiden rijtjeshuis en volgen ook verder het draaiboek netjes. Mijn broer Kim komt als eerste in 1953, ik word in 1956 geboren en in 1962 dient mijn zus Amy zich aan. We wonen dan in Canoga Park in een huis met één verdieping aan de McNulty Avenue op nummer 8175. Fysiek dicht genoeg bij Hollywood, maar toch een wereld daarvandaan: de Valley - misschien nog het best bekend voor de lijzige strandstijl van spreken. De seizoenen in de Valley gaan vrij onopvallend in elkaar over. In de warme maanden, als de luchtvervuiling een gevaarlijk niveau bereikt, komen we niet veel buiten. We hebben meer smog- dan sneeuwdagen en maken 'smogengeltjes' in het verdorde gras.Mama is Avon-vertegenwoordigster, vrijwilligster bij het blindeninstituut, gastvrouw op Tupperware-avonden, teammoeder van onze sportploegjes en lid van de oudervereniging. Elk jaar naait ze zelf onze Halloweenkostuums. Papa coacht onze teams. Hij is dol op honkbal en dus ben ook ik dol op honkbal. Nog steeds trouwens. Op mijn vierde of vijfde ga ik met papa naar een wedstrijd van de Dodgers. Het team is van Brooklyn naar LA verhuisd, maar heeft nog geen stadion en speelt vier seizoenen, van 1958 tot 1961, in het Los Angeles Memorial Coliseum. Het Coliseum was een football- en atletiekstadion en heeft dan ook rare afmetingen voor een honkbalveld - een enorm rechtsveld en een ondiep linksveld - zoals Fenway Park in Boston. Ze hebben een hoog scherm boven het hek van het linksveld geplaatst. Om een homerun te slaan, moet een slagman over het scherm slaan. En ook al is het linksveld kort, dat scherm is onnoemelijk hoog. Bijna dertien meter. Het groene monster, de wereldberoemde afscherming van het linksveld van Fenway, is twee meter lager. Wally Moon, een speler afkomstig uit de katoenvelden van Arkansas, is een crack in het slaan van homeruns over dat net. Hij maakt van zijn swing een uppercut en mept de bal zo hoog dat het is alsof hij een blauw gat in het mistige wolkendek slaat: homerun. Mensen noemen deze hoge slagen moon shots. Ik zie de bal een moment van ademloze spanning in de lucht hangen - een pop-up, eigenlijk - en dan volgt het gejuich. Roem. Dat tart mijn verbeelding: uithalen voor het onmogelijke, mikken op de maan. Zelfs toen de Dodgers in 1962 hun nieuwe thuisbasis in Chavez Ravine hadden betrokken en toen het bij ons thuis allemaal fout begon te lopen, wist ik dat ik kon rekenen op de geur van vers gemaaid gras, op Vin Scully die met zachte stem de wedstrijd verslaat op de radio, op de strakke symmetrie van het honkbalveld. De hoop die je durft te koesteren met runners op de honken en geen spelers uit. Mijn vader neemt ons geregeld mee naar de opnamestudio's waar hij als acteur werkt. Op een dag komt hij thuis met een verrassing. Hij opent een trailer die hij achter de auto heeft gehangen. En als we in de donkere, naar stront stinkende metalen box turen, staat daar... een ezel! Die ezel zal me mijn hele leven bijblijven. Tom heet het beest en mijn vader houdt hem een tijdje in onze achtertuin. Alle jongens en meisjes uit de buurt komen hem bewonderen en willen een ritje maken. Na een maand of twee in de tuin vertrekt Tom weer naar waar hij vandaan komt. Dag Tom. Leuk kennis te hebben gemaakt. Pap brengt ook weleens rekwisieten mee voor mijn broer en mij: soldatenhelmen, insignes, uniformen. Later besef ik dat hij die 'leent' en naderhand terugbrengt. Rekwisieten op een set worden zorgvuldig in de gaten gehouden, het is geen speelgoed, maar wij waren er verzot op. Als mijn vader namaakgeweren meebrengt, spelen we oorlogje. Alle jongens uit de buurt vechten aan één stuk door tegen Duitsers of Japanners of indianen. We hebben totaal geen benul van geschiedenis of oorlog of waarom dit onze vijanden zijn. Het is gewoon zo. En plotseling is daar de nieuwslezer op tv die zegt: 'We onderbreken dit programma voor een bijzondere mededeling.' Nog jarenlang bal ik bij die mededeling mijn vuisten. Een sombere Walter Cronkite verschijnt op het scherm. 'Uit Dallas, Texas, het bericht, blijkbaar officieel, dat president Kennedy om één uur is gestorven.' Ik zie hoe Cronkite zijn bril afneemt. Hij is niet langer de stoïcijnse journalist. Hij heeft zijn masker afgezet en is gewoon een man, overrompeld door de omvang en de schok van het verlies. Ik hoor een snik en dan is er paniek. Mijn moeder huilt en lijkt wanhopig. Ze is de hele dag niet van de telefoon weg te slaan. Alsof mijn broer en ik zoek zijn. Voortdurend zijn de volwassenen op zoek naar meer nieuws. Mijn vader komt plechtig thuis. De buren komen langs. Ze proberen elkaar gerust te stellen dat het allemaal goed zal komen. Ik begrijp het niet echt, maar snap wel dat het ernstig is. En nu krijgen we een nieuwe president: Lyndon Johnson. Hij praat gek. Ik weet niet of ik ooit eerder die lijzige, Texaanse manier van spreken heb gehoord. En zijn vrouw heeft een rare naam. Onze ouders zijn kapot van het nieuws. We leren over leven en dood en angst en verdriet en opvolging. We weten niet wat we moeten doen. Een buurjongetje zegt: 'We spelen niet meer met wapens.' We zijn dol op wapens, maar gooien ze nu weg, alsof we met dat gebaar iets kunnen veranderen aan de gang van zaken. Het duurt niet lang. De urgentie slijt en het normale leven gaat verder. Het is een nieuw normaal.