Het geschreven woord kan beweging verbeelden maar is verder vooral statisch. Een boek zingt, springt, neuriet, jodelt niet. Een boek is gesloten voor al wie er niet in bladert en schrijvers zijn niet noodzakelijk open boeken. Altijd weer zie je zo'n auteur denken: moet ik nu werkelijk in stuntelige, bij elkaar gehaspelde woorden vertellen wat ik getracht heb zo zwierig, poëtisch, individueel en toch universeel bij elkaar te componeren? Is dit waar het om draait?
...

Het geschreven woord kan beweging verbeelden maar is verder vooral statisch. Een boek zingt, springt, neuriet, jodelt niet. Een boek is gesloten voor al wie er niet in bladert en schrijvers zijn niet noodzakelijk open boeken. Altijd weer zie je zo'n auteur denken: moet ik nu werkelijk in stuntelige, bij elkaar gehaspelde woorden vertellen wat ik getracht heb zo zwierig, poëtisch, individueel en toch universeel bij elkaar te componeren? Is dit waar het om draait? Het is de onzichtbare muur waar elk boekenprogamma op botst, en waar menig boekenprogramma overmoedig tegenaan knalde. Omdat men dacht het noodlottige lot van het boekenprogramma te kunnen tarten. Men koos er dan voor de onbeweeglijkheid van het woord vol kunstmatig leven te blazen. Er kwamen toeters en bellen en soms hele orkesten aan te pas, waarbij het boek al snel tussen de plooien van de show viel. 'Boe,' riep het publiek, 'wij willen het over boeken hebben en niet over opgeklopte luchtigheid. Mag het een beetje ernstig zijn?' Bij een volgende poging wendde men de steven. Alle gewicht vloog overboord en men herleidde een boekenprogramma tot de naakte essentie. Een programma over boeken. Een boek werd gepresenteerd, de korte inhoud verteld, er volgde een gesprek en daarmee vulde men de zendtijd. Het publiek was niet in staat 'boe' te roepen, want het lag al in slaap voor het einde van de uitzending. Dat heb je met ernst. Die kan al eens tot langdradigheid vervellen. Het leek dus alsof het boekenprogramma gedoemd was te mislukken, voor altijd veroordeeld om in het rijk van de fabels en onvervulde dromen rond te dolen. In gesprekken over wat men zoal miste in het programma-aanbod werd het boekenprogramma de stopverf van de al even mythische unserved audience. Velen droomden ervan, niemand waagde zich eraan. Wie als werknemer van een audiovisueel bedrijf een boekenprogramma in de schoot kreeg geworpen, wist dat zijn carrière op een onduidelijk pad was beland. Maar kijk, daar is Brommer op zee. Al enkele weken spreiden Ruth Joos en Wilfried de Jong met heel veel warmte, liefde en genegenheid op zondagavond een bedje voor het boek. Het programma is zo opgebouwd dat het zich meanderend ontvouwt. Joos en De Jong raden elk eerst wat boeken aan. Die zondag prees Joos de nieuwe roman van de Franse wonderauteur Édouard Louis aan. De Jong suggereerde met de gebeurtenissen in Jeruzalem in gedachten Apeirogon van Colum McCann. Omdat De Jong in preventieve quarantaine zat en enkel op scherm zicht- en hoorbaar was, nam Joos de rest van de gesprekken voor haar rekening. Zwierig volgde de camera haar naar de lange tafel in de studio waar Babs Gons op haar wachtte. Maar mijn blik bleef haken aan die studio, ingericht als een knus en ietwat rommelig kantoor. Ik stel me voor dat bedrijven die de schijn hoog willen houden dat ze meer dan een bedrijf een soort levensstijl zijn deze overzichtelijke wanorde ook etaleren in hun vergaderruimtes die ze namen als 'creatiekamer' of 'denkplek' geven. Ik ga ervan uit dat dit een zekere knusheid en gezelligheid moet uitstralen. Verder was er niet zo veel waar ik me aan stoorde. Dus dat viel wel mee. Al was er ook niet zo veel waarvan mijn hart een tel oversloeg. De gesprekken waren beleefd en kabbelend. Ze mochten wat breder uitwaaieren naar de wereld in plaats van zo dicht bij de personages in een boek te blijven hangen. Want dat is wat ik miste: leven. En stekels. In Brommer op zee overheerst de voorzichtigheid. Misschien niet slecht als je je aan een boekenprogramma waagt, maar het mag wat meer schuren. Het is allemaal zo lief, mijnheer.