...

Op Linkeroever, onder een loods waar zeilschepen worden gestald, bouwden de lieden van Compagnie Marius hun halvemaanvormige tribune op. Zodat performers en publiek droog blijven tijdens dit vijf uur durende onderhoud met Onze wederzijdse vriend, een bewerking van Charles Dickens' Our Mutual Friend (1865).Op de onderste rij van de tribune, helemaal in het midden, zit regieassistent Tom Goossens met een groot, dik boek op schoot. Dat boek is de tekstbrochure die de acteurs - Stef Aerts, Evelien Bosmans, Clara Cleymans, Frank Dierens, Waas Gramser, Kris Van Trier (die laatste twee vormen de artistieke kern van Compagnie Marius en bewerkten de tekst) - in hun arme hoofden stampten. Of dat toch probeerden...Dickens' meer dan zevenhonderd pagina's tellende verhaal over de rijke John Harmon vertellen, blijkt geen sinecure. Dickens pende een kluwen van personages en intriges neer. Kronkelige rode lijn? John Harmons vader laat in zijn testament zijn fortuin aan zijn zoon na op voorwaarde dat John trouwt met de zeer eenvoudige Bella. John bedenkt een list om na te gaan of Bella een integer meisje is of enkel op een rijke echtgenoot jaagt... Daaromheen worden tal van liefdesintriges geweven. De ronkende Engelse (achter)namen vliegen je om de oren. De moraal wordt erachteraan gesmeten: geld maakt niet gelukkig noch wijs maar het helpt wel. Neen, voor die muffe moraal moet u zich niet naar de voorstelling reppen. Wél voor het plezier waarmee over de scène gehold, gerollebold en geslopen wordt. En vooral voor de guitige situaties die ontstaan door het geworstel met de tekst (en het wanhopig loeren naar souffleur Tom Goossens). Gek genoeg is dat én het inventieve gebruik van de ruimte - er wordt heerlijk gespeeld met poppetjes, minischragen, doorweekte lijken, prachtige kostuums met een negentiende-eeuwse toets, planken, touwen, wijnflessen en een rokend kacheltje - de sterkte van de voorstelling. De zwakte schuurt daar te dicht tegen: omdat de tekstkennis nog niet optimaal is, zit ook het spel nog niet strak. Vooral in de scènes waarin de personages een deel van het verhaal vertellen aan het publiek, vallen de acteurs terug op fantasieloos, afhaspelend, gejaagd en daardoor echt zwak spel (of ze vallen door de mand en loeren naar de souffleur). Desondanks is Onze wederzijdse vriend een gezellige, smakelijke ervaring (tijdens de eerste pauze krijg je twee muffins cadeau, een lekkernij die ook in Dickens' tijd hip was) die in het begin danig verwarrend aandoet. Je verzuipt echt in de namedropping. Maar gaandeweg het verhaal vordert en als duidelijk wordt welke acteur welke personages (jazeker) speelt, dan wint het stuk aan vaart en kijkplezier. Een nog betere tekstkennis - en misschien nog wat gesnoei in sommige scènes - kan het kijk- én spelplezier enkel doen groeien.