'No, I'm not close to a saviour, The chances I blew, Now I'm cold, empty inside, Won't bother to hide, My failures, Because there's nothing to do', zingt Liz Kinoshita terwijl ze in11 O'clock over de kale scène stapt, van het midden naar achteraan. Ze draagt een zwart, los topje en zwarte, losse bermuda, beide fijn bestikt met glinsterende details. Om zich heen drappeert ze een lang, zwart glanzend doek dat achter haar aan sleept.
...

'No, I'm not close to a saviour, The chances I blew, Now I'm cold, empty inside, Won't bother to hide, My failures, Because there's nothing to do', zingt Liz Kinoshita terwijl ze in11 O'clock over de kale scène stapt, van het midden naar achteraan. Ze draagt een zwart, los topje en zwarte, losse bermuda, beide fijn bestikt met glinsterende details. Om zich heen drappeert ze een lang, zwart glanzend doek dat achter haar aan sleept. Alles aan dit scènebeeld is verfijnd en doordacht. Dat is eigen aan Kinoshita. Zij is niet de vrouw van de grootse gebaren. Ze zoekt haar weg in intimiteit, details en kleine bewegingen die grootse emoties verraden. Dat bleek eerder al uit VOLCANO (2014) , de eerste voorstelling in haar onderzoek naar de 'mechanisms of musical'. Dit onderzoek voert ze verder uit in 11 O'clock. De titel verwijst naar het voorlaatste nummer uit een musical waarin een hoofdpersonage tot inzicht komt of melancholisch teugblikt.Samen met performers Némo Flouret en Irene Occhiato schreef en zingt Kinoshita zes nummers die vooral uiting lijken te geven aan de moedeloosheid waartoe deze pandemie podiumkunstenaars (en anderen) drijft. Het trio zingt zoals je thuis je favoriete popsong zingt terwijl je schoonmaakt of onder de douche staat: met een zo vast mogelijke stem die je gemoed verraadt. In hun gezang resoneert hopeloosheid. Ook de choreografie straalt gelatenheid uit. Mensen bewegen tijdens de pandemie kleiner, amper uitbundig. Zo beweegt het trio. Een voorbeeld: op een bepaald moment houdt Occhiato beide armen gestrekt naast zich en vouwt ze een beetje open, alsof ze voorzichtig iets wil aanreiken. Meteen daarna vouwt ze de armen weer naar binnen. Kinoshita herhaalt de reikende beweging later nogmaals maar net iets groter. Ze stapt achterwaarts en meermaals opent ze beide armen zoals (musical)sterren dat doen wanneer ze applaus in ontvangst nemen. Helaas klinkt er (nog) geen applaus. Ook de vormgeving - een zwarte scène, schemerige belichting en donkere kostuums - ademt zwaarte uit. Het enige frivole element: er hangen drie lange touwen. Aan elk touw bengelt een trompetje, wachtend tot het weer kan schallen. De voorstelling opent met een (eerder opgenomen) prachtige, van melancholie en ingehouden hoop zwangere solo van trompettist Bart Maris. Hij componeerde ook de muziek voor de voorstelling. Af en toe bespelen de dansers de drie trompetten. Ook hier: ingehouden en vanuit een gemis aan vreugde. Tristesse, verstilling en melancholie hoeven geen troosteloze performance op te leveren, integendeel. Maar 11 O'clock overtuigt geenszins als streamvoorstelling. Men koos ervoor de camera als een soort toeschouwer voor het podium te plaatsen. Meer dan naar links en rechts bewegen of af en toe de performers in close-up in beeld brengen, doet de te bescheiden cameraregisseur niet. De performers kijken gewoon langs de camera de lege zaal in. Je voelt je miskend, of beter genegeerd, als kijker. 'De afstand is vééééééééééééél te groot', zou Willy Sommers zingen. De verleiding om na maanden wachten eindelijk je voorstelling met een publiek te delen, is vanzelfsprekend groot. Maar als een kunstenaar de omstandigheden waarin die creatie gedeeld wordt eerder ontkent dan ze als een uitdaging te beschouwen waarop een creatief antwoord dient geformuleerd te worden, dan oogst je meer teleurstelling dan bewondering bij een publiek.Kinoshita grijpt later dit jaar hopelijk haar herkansing. Dan danst en zingt ze live voor haar publiek. Dat wordt intiem, confronterend en dan doet ze ongetwijfeld wat Flouret in het laatste nummer, It't Time,it's 11'oclock, zingt: 'Rise, rise rise. '