Günther Lesage begint zijn solo zoals veel theatermakers tijdens de pandemie hun voorstelling starten: aan de deur van de zaal, alwaar ze hun publiek persoonlijk welkom heten. 'Lang geleden hé? Fijn dat we weer mogen, hé? Hebt u lekker gegeten? Is het al lang geleden dat u naar het toilet geweest bent?' Geen toeschouwer krijgt geen (rare) vraag. Antwoorden hoeft gelukkig niet.
...

Günther Lesage begint zijn solo zoals veel theatermakers tijdens de pandemie hun voorstelling starten: aan de deur van de zaal, alwaar ze hun publiek persoonlijk welkom heten. 'Lang geleden hé? Fijn dat we weer mogen, hé? Hebt u lekker gegeten? Is het al lang geleden dat u naar het toilet geweest bent?' Geen toeschouwer krijgt geen (rare) vraag. Antwoorden hoeft gelukkig niet.Lesage bekent dat hij nerveus is. Deze voorstelling lokt hem uit zijn comfortzone. Meestal verbergt hij zich - veilig omring door zijn kompanen van Arsenaal / Lazarus zoals Koen De Graeve en Charlotte Vandermeersch - achter de personages of minstens de letters van Franse of, bij voorkeur, Russische auteurs zoals Charles Bukowski, Fjodor Dostojevski of Ivan Gontsjarov. Dit keer verbergt hij zich achter zichzelf. Dat klinkt dubieuzer dan het is. Lesage bekent in de openingsscène dat 'iemand' hem vertelde over zijn paniekaanvallen, zijn laag zelfbeeld, zijn onkunde om een bondig verhaal te vertellen. Hoe meer Lesage praat, hoe vaker hij de 'zegt hij' vergeet en 'ik' gebruikt... Toch serveert hij zijn publiek niet de zoveelste van eigenliefde en zelfmedelijden etterende monoloog. Lesage speelt het spel slimmer en fantasierijker. Dat ontdek je wanneer hij beschrijft hoe de aanblik van een oud vrouwtje in de wachtzaal van het ziekenhuis - waar hij door een samenloop van omstandigheden belandt - hem in een coma doet sukkelen. Hoe? Wat? Waarom? Dat verklappen zou zonde zijn.Vanaf dan ontspint er zich - op een kale scène die Lesage perfect inkleedt met enkele geluiden, een deur en vooral veel prikkelende zinnen - een hallucinant avontuur vol typetjes die Lesage gezwind, met droogkomische flair en een gouden mimiek vertolkt. Via de kruipgangen in het rijhuis van een mysterieuze waarzegger/ster en een Tsjetsjeen met een raar gevoel voor humor en goeie wodka op zak, verzeilen we bij een alter-ego van Lesage dat de voorstelling van hem overneemt en trakteert op een onbeschaamd vulgair stukje stand-upcomedy waarbij een koppel in de zaal alle mogelijke synoniemen van 'vrijen' naar het hoofd geslingerd krijgt. Dat alter-ego is voortvarender, gelooft in zichzelf, durft zwierig dansen op Nat King Coles Let's Face the Music and Dance, is niet bang om te beledigen en veegt zijn voeten aan poëzie en beleefdheid. Deze Lesage is niet bang van de angst, de ander of zijn spiegelbeeld. Zouden we niet allemaal zo'n alter-ego willen?Door die fantasy-toets - die hij zeker nog steviger mocht indrukken - tilt Lesage zijn voorstelling torenhoog uit boven muffe navelstaarderij. Hij zet zichzelf pront in als model voor een portret van een geïsoleerd, vereenzaamd mens die het mentaal zwaar heeft maar op een muur van onbegrip botst waardoor hij zich verliest in de handen van charlatans en de eigen op hol geslagen verbeelding. In de realiteit levert dit ellende op. In het theater levert dat een onderhoudende, spannende trip op van (en met) een meesterverteller - twee meesterverteller Günther en zijn alter-ego - die zijn cabaretierkantje in de spotlights plaatst en dat met iets te veel schroom doet. Hij lijkt nochtans compleet op z'n gemak in die cabaretrol. Dit smaakt naar véél meer.