The Play = Camus
...

De scène oogt als een speeltuin voor speelvogels: een cirkel herfstbladeren, een tot kubus geperst autowrak dat rustig boven de scène bengelt, een ouderwetse badkuip, enkele chesterfields, een tafeltje vol drank, twee teddyberen en een rij muziekinstrumenten (drums, elektrische bas, viool, gitaar en synthesizer). Alles is aanwezig om te excelleren én te crashen. De voorstelling begint ook met een crash: we kijken samen met de acteurs naar filmbeelden uit een journaal van 4 januari 1960 over het auto-ongeluk van de Franse filosoof en auteur Albert Camus (1913 - 1960). Na die beelden volgt het geschuifel. Zoals de acteurs door de bladeren op de scène schuifelen, zo schuifelen ze door de mogelijke manieren om het te hebben over Camus' leven en werk. Pieter Genard wil Camus' relatie met filosoof en (theater)auteur Jean-Paul Sarte uitspitten, Joris Van den Brande schreef enkele sterke monologen die vertrekken vanuit het absurdisme, waarvan Camus de grondlegger is. Lien Thys portretteert Francine Faure (de tweede vrouw van Camus) en Koen De Graeve wil via de olijke omweg van het dialect de absurditeit van de eenzaamheid besnuffelen. Dat levert flitsen goed toneel op. Zoals de monoloog van Lesage, de wals van Lesage en Thys, de dialoog van Koen De Graeve met een teddybeer en de zelfmoordpoging van Faure, vertolkt door Thys. Maar tussen die flitsen door wordt er vooral gezeten, gedronken, geschuifeld, tekst vergeten en naar elkaar geloerd. Dat levert simpelweg ruis op. Misschien is dit een onhandige poging om absurd theater te maken? Het is vooral onvolgroeid theater. In Camus krijg je een glimp te zien van wie Camus was en welke inzichten hij ontwikkelde. Het respect voor zijn gedachtegoed straalt van de scène. Maar Camus' bestaan was veel meer flits dan ruis, deze voorstelling, althans voorlopig, meer ruis dan flits.