Afgelopen maandag bereikte mij het heuglijke nieuws dat Nick Cave volgende week een nieuw dubbelalbum uitbrengt. Het kost soms wat moeite om mij tevreden te stellen, maar met zo'n nieuwtjes maak je m'n dag en meestal ook mijn week. Het nieuwe album heet Ghosteen en volgt het loodzware Skeleton Tree (2016) op, het album dat Cave uitbracht na de plotse dood van zijn vijftienjarige zoon Arthur. Daarnaast lanceerde de zanger ook een documentaire, One More Time With Feeling. De film volgt het artistieke proces van het maken van het album, dat verstrengeld is met de rouw waar de Caves en hun omgeving doorheen moesten spartelen.

Het lijden van Cave en de zijnen, wereldwijd en levensgroot geprojecteerd op bioscoopschermen in de hele wereld: het vergt talent om zo'n stunt niet te laten vervallen in puur exhibitionisme. Dat het dat op geen enkel moment werd, is volledig te danken aan regisseur Andrew Dominik, die het verdriet subtiel in beeld brengt. De dood van Arthur is nooit expliciet aanwezig en wordt nooit uitdrukkelijk vernoemd, maar hangt als een spook boven de film. Ook ik ging kijken, op 5 september 2016, en was onder de indruk van de intimiteit die van de film uitging.

Nick Caves verdriet is gehuld in zwart-wit, dat van Bruce Springsteen in technicolor.

Terwijl Caves verdriet persoonlijk is en gehuld is in zwart en wit, bezingt Bruce Springsteen, die deze week zeventig werd, een ander soort verdriet, in technicolor. Zijn nummers lauweren de all-American hero, de man die op de bodem staat van de put, maar als een volmaakte Sisyphus onversaagd de steile weg omhoog aanvat. Hij buigt noch kraakt, wat er ook op zijn pad komt. Het verdriet van de Amerikaanse middenklass dat hij bezingt, is niet per se het zijne, maar hij heeft talent en het charisma om er overtuigend gestalte aan te geven.

Zijn meest atypische plaat, Nebraska, is niet toevallig mijn favoriete. De E Street Band houdt zich afzijdig, dit is enkel Springsteen en een akoestische gitaar. Weg is de overdreven pathetiek, weg zijn de nodeloze crescendo's. Het is Springsteen zoals men hem daarvoor nog nooit had gehoord en daarna niet meer opnieuw zou horen.

De liveversies van de nummers klinken dan weer als vintage Springsteen. Geprononceerde drums, stoere mannengitaren, heel wat springsteenesk ge-how-how-how na de refreinen en typerende stijvenekbewegingen. Zo'n heroïek werkt ongetwijfeld voor velen als een balsem voor de ziel, mij irriteert ze bij momenten mateloos.

Zo ook Paddy McAloon, zanger van jarentachtigband bij uitstek, Prefab Sprout. Geïrriteerd door de beperkte thema's in Springsteens nummers, goot hij zijn frustratie in Cars and Girls. 'Brucie dreams, life's a highway too many roads bypass my way / Life's a drive through a dust bowl, what's it do, do to a young soul / Will heaven wait all heavenly over the next horizon?' Auto's, highways, de onvermijdelijke absolutie die Springsteen steeds lijkt te beloven in z'n nummers: McAloon steekt er de draak mee en lacht met de ondraaglijke lichtheid ervan. Ironisch genoeg werd Cars and Girls het bekendste nummer van de spruiten en kwam het nummer zelfs stommelings terecht op een Top Gear-compilatiealbum.

Toen ik die bewuste 5 september 2016 de bioscoop verliet, was de bedruktheid bijna tastbaar. Caves nummers hadden er ogenschijnlijk bij iedereen op ingehakt, de zwart-witbeelden hadden zich in onze hersenpan genesteld. Een auto racete voorbij, verbrak de stilte. Uit de open ramen zong McAloon de in gedachten verzonken bioscoopgangers toe: 'Some things hurt more, much more than cars and girls.' Zo is het maar net.