Na vijf jaar bekvechten voor de rechtbank is de kogel door de kerk in de plagiaatzaak rond Blurred Lines, de hit uit 2013 van Robin Thicke en Pharrell Williams. Het liedje lijkt volgens een rechter in Californië wel degelijk te veel op Marvin Gayes Got to Give It Up (1977). Thicke en Williams moeten zo een kleine 5 miljoen dollar (4,4 miljoen) aan de erven van Marvin Gaye.
...

Na vijf jaar bekvechten voor de rechtbank is de kogel door de kerk in de plagiaatzaak rond Blurred Lines, de hit uit 2013 van Robin Thicke en Pharrell Williams. Het liedje lijkt volgens een rechter in Californië wel degelijk te veel op Marvin Gayes Got to Give It Up (1977). Thicke en Williams moeten zo een kleine 5 miljoen dollar (4,4 miljoen) aan de erven van Marvin Gaye. Dat is al minder dan wat een rechter drie jaar geleden besliste: toen moesten Thicke en Williams nog 7,3 miljoen dollar ophoesten. De twee artiesten gingen toen in hoger beroep, waarop een rechter de schadevergoeding bijstelde na 5,3 miljoen dollar. Voor de volledigheid: het heeft wellicht niet geholpen dat Thicke en Williams op voorhand al een rechtszaak waren gestart tegen de erven-Gaye, om te laten verklaren dat Blurred Lines geen kopie was van een andere song - en een potentiële rechtszaak van hun kant zo preventief in de kiem te smoren. Komt niet geweldig onschuldig over. Spreekt ook niet in hun voordeel: dat Thicke in interviews zei dat hij samen met Pharrell in de studio naar Got to Give It Up had geluisterd, had beslist dat hij 'ook zoiets wilde maken' en dan in een half uur Blurred Lines had geschreven. Zeker niet als je dan achteraf in de rechtbank zegt dat dat 'gelogen' was, dat je er waarschijnlijk niet bij was in de studio, dat áls je er al bij was, je dronken en stoned was, dat je een alcohol- en pijnstillerverslaving had en dat je bijvoorbeeld dronken en stoned was toen je met je dochter bij Oprah zat. Betrouwbaarheidsgewijs niet het strakste plan. En oké, zijn zelfvoldane kop zal hem ook weinig goed hebben gedaan. We moeten daar eerlijk in zijn. Niettemin: te veel schadenfreude is daarbij nu ook weer niet gepast. Er is namelijk iets vreemds aan de redenering van de jury. Als u de bewuste twee nummers al eens na elkaar hebt gehoord, valt het inderdaad niet te ontkennen dat er een verwantschap is. De koebel en de baslijn lijken aardig op elkaar, de groove is haast identiek. Maar dat geldt niet voor de melodie en de tekst, doorgaans de enige criteria waarop inbreuken op auteursrecht worden beoordeeld. Blurred Lines had hetzelfde 'gevoel' als Got to Give It Up, aldus de jury in 2015. Iets waar Thicke en Williams zich tegen verweerden door het een hommage te noemen - zeg maar het Quentin Tarantino-argument - maar waar de jury geen oren naar had. Dat is precies ook de gevaarlijke implicatie van de uitspraak: de steeds waziger wordende grenzen van wat plagiaat nu precies is. Als 'gevoel' een criterium wordt en 'hommage' geen argument meer is, komen heel veel andere artiesten ook in de gevarenzone. Pakweg Mark Ronson zal dezer dagen angstig hopen dat de rechthebbenden van zowel The Gap Bands Oops Upside Your Head als Morris Day & The Times' Jungle Love nog niet naar Uptown Funk geluisterd hebben. En Bruno Mars zal twee keer nadenken voor hij over Locked Out of Heaven zegt dat hij 'probeerde om een song van The Police te schrijven'. Serieus. We dachten dat dat van Sting wás. Hier en daar wordt de zaak van Thicke en Williams versus de erven-Gaye vergeleken met het proces tussen Biz Markie en Gilbert O'Sullivan van 1991, zowat het Bosmanarrest van het auteursrecht. Biz Markie - u kent hem misschien van de old-school hiphophit Just a Friend - had voor het nummer Alone Again nogal opzichtig een nummer van O'Sullivan gesampled, een praktijk die in de hiphop tot dan behoorlijk courant was. O'Sullivan spande een rechtszaak in, won die en liet de plaat waarop Alone Again stond uit de handel halen. Een uitspraak die de hiphopwereld - en de muziekindustrie - behoorlijk veranderde: voor elke sample moest voortaan toestemming gegeven worden, ze moesten gecleard worden. De g-funk van Dr Dre zou nooit meer hetzelfde klinken. De sampleplaten van Public Enemy werden onmogelijk. En elk label had voortaan zijn sampleregelaar. Die impact zal Blurred Lines niet hebben: de uitspraak van de jury is niet echt een precedent te noemen, vooral dan omdat weinig copyrightprocessen daadwerkelijk voor de rechter komen. Ofwel worden auteursrechten preventief geregeld, zoals Coldplay deed door Kraftwerk op voorhand al een credit te geven voor de melodie van Talk, ofwel omdat de claims in der minne geschikt worden. Radiohead stond auteursrechten aan The Hollies af na een claim dat de akkoorden van Creep te hard op The Air That I Breathe leken. Rod Stewart gaf auteursrechten aan Jorge Ben Jor toen hij ontdekte hoe hard Do Ya Think I'm Sexy? op diens Taj Mahal leek. En ook Sam Smith regelde een dispuut met wijlen Tom Petty buiten de rechtbank. Dat de uitkomst van plagiaatzaken moeilijk in te schatten zijn - zelfs claims wegens 'onbewust plagiaat' kunnen standhouden - zit daar voor veel tussen. Het was dan ook in de eerste plaats een verkeerde inschatting van Thicke en Williams om het tot een rechtszaak te laten komen. Oké. En wellicht een verkeerde inschatting van het effect van Thickes zelfvoldane kop. Opnieuw: we moeten daar eerlijk in zijn. Tegelijk zegt Blurred Lines veel over de problematische kant van het hedendaagse copyright: hoe de erfgenamen van het verleden steeds meer beslag leggen op de muziek van nu. In de woorden van de fascinerende documentaire RiP!: A Remix Manifesto: '1. Cultuur bouwt altijd verder op het verleden. 2. Het verleden probeert altijd de toekomst te bepalen. 3. Onze toekomst wordt minder en minder vrij.' Geen zaak die dat beter illustreert dan The Verve versus The Rolling Stones. In 1997 scoorde The Verve een wereldhit met Bitter Sweet Symphony, een nummer dat een stevig bewerkte vijfnotensample loopte van een georkestreerde, instrumentale versie van The Rolling Stones' The Last Time. Anders dan weleens gedacht wordt, had The Verve de sample wel degelijk gecleard. Alleen: toen Bitter Sweet Symphony een wereldhit werd, spande Allen Klein, een voormalige manager van de Stones, die op ronduit vileine wijze het copyright op al hun songs van vóór 1970 had verworven, alsnog een rechtszaak in. Volgens hem had The Verve de overeenkomst gebroken door een groter deel van het originele nummer te gebruiken dan besproken was. Zijn eis: honderd procent van de auteursrechten of de single zou uit de handel gehaald worden. The Verve koos voor het eerste en de zaak werd buiten de rechtbank beslist. Vooral dan omdat het goedkoper leek dan de gerechtskosten betalen van een zaak waarvan niemand wist in wiens voordeel ze zou uitdraaien. Resultaat: toen Bitter Sweet Symphony in 1999 voor de Grammy's genomineerd werd als beste song, een categorie die de songschrijvers probeert te eren, stonden er als namen 'Mick Jagger' en 'Keith Richards' bij. De grootste hit van Mick Jagger sinds Brown Sugar? Bitter Sweet Symphony. Nog voor The Verve het spuug van hun gezicht hadden geveegd, had Klein het nummer, zeer tegen de wil van de band in, verkocht voor een reclamefilmpje van Nike. Dat heet dus gepluimd worden. Nu, behalve een heel goed verhaal voor iedereen die niet Richard Ashcroft heet, zit er ook een twist aan die hele historie. Op zich was de uitkomst van de zaak al enigszins grof, aangezien de sample waarop The Verve zich had gebaseerd een orkestrale versie was, die niks met het origineel van de Stones te maken had. Maar vaagweg zou dat nog enigszins steek houden mochten Jagger en Richards The Last Time ook helemaal geschreven hebben. Dat hadden ze niet. Wij nodigen u uit om eens naar This May Be the Last Time van The Staple Singers te luisteren. 'This may be the last time / Maybe the last time / I don't know', zingen Mavis Staples en haar familie in de gospelopname uit 1955. Als u nu denkt 'Tiens, dat komt bekend voor': dat is omdat Mick Jagger exáct hetzelfde zingt in The Last Time. Alleen: omdat de versie van The Staple Singers een interpretatie van een traditional was - waar geen auteursrecht op zit - konden The Stones het naar eigen goeddunken adapteren. Wat, in het geval van The Last Time, neerkomt op er een elektrische gitaar op zetten en van Onze Heer een meisje maken. Het kernbegrip hier is 'totale hypocrisie'. Voor u denkt dat we The Rolling Stones aan de schandpaal willen nagelen: ze waren lang niet de enigen. Zonder Chuck Berry's You Can't Catch Me geen Come Together van The Beatles - John Lennon pikte niet alleen het zinnetje 'Here come a flattop, he was groovin' up with me'. Zonder You Need Love van Willie Dixon geen Whole Lotta Love van Led Zeppelin. Zonder de spiritual No More Auction Block geen Blowin' in the Wind van Bob Dylan. Hele carrières in de jaren zestig en zeventig zijn gebouwd op het copyrightloos verblanken van zwarte muziek en vrijelijk adapteren van traditionals. Niemand die beweert dat The Beatles en Bob Dylan niets nieuws deden met hun invloeden. Maar ook niemand die beweert dat Robin Thicke en Pharrell Williams niets nieuws deden met Got to Give It Up: alleen is die basis om iets nieuws mee te doen sinds de jaren zestig een stuk problematischer geworden. Fascinerend detail overigens: Marvin Gaye heeft zelf altijd gezegd dat Got to Give It Up een antwoord was op de discohit Disco Lady van Johnnie Taylor. En op zijn beurt was Got to Give It Up al de grote inspiratie van Michael Jackson om Don't Stop 'til You Get Enough te schrijven, het nummer dat zijn solocarrière in gang zette. Dat is hoe muzikale evolutie werkt: er bestaat niet zoiets als absolute originaliteit. Er bestaat alleen maar inspiratie, die soms opvallend duidelijk is en soms minder opvallend duidelijk. Het probleem is dat, eenmaal in de rechtbank, dat continuüm niet meer bestaat. Daar bestaat alleen plagiaat of geen plagiaat. Copyright is in het leven geroepen om creativiteit te beschermen. Maar naarmate het auteursrechtelijk beschermde verleden steeds groter wordt en de criteria voor de schending ervan steeds omvangrijker - na 'melodie', 'tekst' en 'sample' nu ook 'ritme' en 'gevoel' - wordt het meer en meer de vraag of copyright dat nog wel doet. En of het creativiteit niet net in de weg staat. In 1969 had Gregory Cylvester Coleman een vier maten durende drumsolo in The Winstons Amen, Brother. De zes seconden leverden de amen break op, een sample die vanaf de jaren tachtig uitvoerig gebruikt en bewerkt werd in de hiphop en later in versnelde versie de basis vormde van drum-'n-bass en jungle. Kortom, het is vermoedelijk de meest gebruikte sample uit de muziekgeschiedenis, die hele genres genereerde. Coleman noch Richard Spencer, de eigenaar van de auteursrechten, kregen ooit royalty's voor de solo. Maar: Coleman noch Spencer spanden ooit een proces in. Hadden ze dat wel gedaan, dan zou drum-'n-bass nooit hetzelfde geklonken hebben. Hoe zelfvoldaan die kop van Robin Thicke er ook uitziet: de muziekwereld heeft mínder processen zoals dat over Blurred Lines nodig.