1968 was in meer dan één opzicht een sleuteljaar voor de Stones. Volgens de BBC waren ze op dat moment de 'belangrijkste rockband ter wereld' en hadden ze enkel van The Beatles nog concurrentie te duchten.

Toch was hun toekomst onzeker: Mick Jagger, Keith Richards en Brian Jones waren een jaar eerder gearresteerd wegens drugsbezit en dreigden voor vele jaren achter de tralies te verdwijnen. Bovendien hadden ze al achttien maanden niet meer getoerd en een jaar geen hit meer gehad. Met het halfslachtige psychedelische probeersel Their Satanic Majesties Request oogstten ze de slechtste recensies uit hun carrière: 'Junk masquerading as meaningful', besloot een criticus. Het was een even krampachtige als gênante poging iets te maken dat net zo belangrijk en betekenisvol was als Sgt Pepper's. Alleen klonk het resultaat zo potsierlijk dat zowel fans als muziekscribenten er de neus voor ophaalden.

Gitarist en spilfiguur Brian Jones was, door zijn overmatig gebruik van geestverruimende snoepjes, zo ver heen dat hij nauwelijks meer kon functioneren. Dat zijn vriendin, Anita Pallenberg, met Keith Richards aanpapte, hielp niet meteen om het groepsgevoel te versterken. Enkele drastische beslissingen drongen zich dus op.

Street Fighting Man verscheen als single, amper een week na een gewelddadige confrontatie tussen betogers tegen de Vietnamoorlog en de ordediensten in Chicago. Uit angst olie op het vuur te gieten, besloten veel Amerikaanse radiostations het nummer te boycotten.

De man die toen al jaren hun manager en producer was, Andrew Loog Oldham, was allesbehalve behulpzaam geweest toen drie van de bandleden voor de rechter stonden: Jagger & Co voelden zich in de steek gelaten en stuurden hem eensgezind de laan uit. Met het oog op hun zevende lp trokken ze uiteindelijk de studio in met Jimmy Miller, een op dat moment 27-jarige Amerikaan die eerder al met Steve Winwood had gewerkt en had meegeschreven aan hits van de Spencer Davies Group, zoals I'm A Man en Gimme Some Lovin'.

Losjes uit de pols

Millers verfrissende aanpak zou meteen vrucht afwerpen. Beggars Banquet, tussen februari en hun juni '68 ingeblikt in de Londense Trident studio's, was de plaat waarop The Rolling Stones al hun oppervlakkige popinvloeden afzworen om terug te keren naar hun roots, met een dynamische mix van rock-'n-roll, delta blues en akoestische, door country bestoven ballades. Zo creëerden ze het sjabloon voor de losjes uit de pols spelende band die we vandaag nog altijd kennen.

De lp klonk tegelijk gevarieerd en coherent en gaf aan dat Mick Jagger en Keith Richards als songschrijversduo verre van uitgeblust waren. Jagger bereikte als performer zijn hoogtepunt en nam zijn zangpartijen live op, samen met de groep. Richards, die nu voorgoed het roer overnam van Brian Jones, ontdekte dan weer de onbegrensde mogelijkheden die gepaard gingen met het gebruik van open tuning. Het was een beslissend moment', noteerde hij later in zijn autobiografie Life. 'Die speeltechniek heeft mijn leven veranderd'.

Mick Jagger laat Lucifer onder meer aan het woord over de kruisiging van Christus, de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog en de moordaanslagen op de Kennedy's.

Beggars Banquet, het eerste in een reeks hoogtepunten waartoe ook Let It Bleed, Sticky Fingers, Exile On Main Street en Goat's Head Soup behoren, werd zo iconisch dat de titel later de naam werd van een bekend Brits indie-label. Stones-specialisten beschouwen de plaat als het eerste ware meesterwerk van de groep. In zijn review voor Rolling Stone schreef Jann Wenner destijds: 'Beggars Banquet maakt korte metten met alle saaie, onbeduidende, pretentieuze troep die we het afgelopen jaar hebben moeten verduren'. Ook al werd de groep verafgood en voortdurend belaagd door oververhitte fans, in de studio werkte ze uiterst geconcentreerd en kwam ze tegelijk organisch en trefzeker uit de hoek.

Beggars Banquet zou wél het allerlaatste wapenfeit van The Rolling Stones in hun originele bezetting worden. Acht maanden na de release werd Brian Jones thuis dood aangetroffen in zijn zwembad. Verdronken na een overdosis alcohol en drugs? Vermoord? Over zijn mysterieuze einde toen tot vandaag nog altijd de wildste geruchten de ronde.

Pact met de duivel

De Stones mochten dan rijk en beroemd zijn, ze leefden zeker niet in een luchtbel. Beggars Banquet valt dan ook niet los te koppelen van de maatschappelijke realiteit van het jaar waarin de plaat tot stand kwam. 1968 was zo'n jaar waarin de wereld in brand leek te staan: de oorlog in Vietnam bleef de gemoederen verhitten, de troepen van het Warschaupact hadden met tanks en veel wapengekletter de Praagse Lente in de kiem gesmoord en in de eerste helft van het jaar kwam zowel Martin Luther King als Robert Kennedy in de VS bij aanslagen om het leven. In Parijs en andere grote Europese steden woedde de studentenrevolte van mei '68.

Eén en ander inspireerde The Rolling Stones tot Street Fighting Man, de meest politieke song uit hun carrière. Hij verscheen als single, amper een week na een gewelddadige confrontatie tussen betogers tegen de Vietnamoorlog en de ordediensten tijdens de Democratische Nationale conventie in Chicago. Uit angst olie op het vuur te gieten, besloten veel Amerikaanse radiostations het nummer, waarop Brian Jones sitar en tanpura speelde, te boycotten. In het conservatieve Engeland had men de Stones lang gedoodverfd als 'a bunch of degenerates in suits', een stel in pakken gehesen vagebonden. Maar met teksten die beïnvloed waren door Bob Dylans Highway 61 Revisited wierpen ze zich, een jaar na de Summer of Love, op als scherpe maatschappelijke commentatoren.

Dat deden ze ook met die andere classic, het onsterfelijke Sympathy for the Devil, waarvan het wordingsproces te volgen valt in de rockumentaire One Plus One van Jean-Luc Goddard. De cineast filmde The Rolling Stones vijf dagen lang in de studio en in die tijdspanne zag je de song veranderen van een ruwe, naar Dylan verwijzende akoestische song in een door maracas, conga's en 'woohoo'-koortjes aangedreven sambarocker. Voor velen bevestigde die de demonische reputatie van de Stones. Eerder dan een satanistisch traktaat was het echter een song over de duisterste kantjes van het menselijke ras, verteld uit het standpunt van de duivel.

Sympathy for the Devil was geen doordeweekse protestsong. Voor zijn complexe tekst liet Mick Jagger zich inspireren door de poëzie van Charles Baudelaire en de roman De Meester en Margarita van Michail Boelgakov. Het is een overzicht van enkele van de destructiefste momenten uit de menselijke geschiedenis. Jagger laat Lucifer onder meer aan het woord over de kruisiging van Christus, de Russische revolutie waarbij de familie van de tsaar, met uitzondering van dochter Anastasia, door de bolsjewieken werd omgebracht, de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog en de moordaanslagen op de Kennedy's. In tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen identificeert de zanger zich niet met Satan, maar wijst hij op de duivelse trekjes in ieder van ons: 'Just as every cop is a criminal / And all the sinners saints / As heads is tails / Just call me Lucifer / 'Cause I'm in need of some restraint'.

Aanstootgevende hoes

Beggars Banquet, verschenen op Sinterklaasdag '68,werd voorafgegaan door de single Jumpin' Jack Flash, een knaller die tijdens dezelfde sessies was opgenomen maar niet op de lp voorkwam. De song, ingeleid door één van Richards' aanstekelijkste riffs en losjes gebaseerd op het gedicht The Mental Traveller van William Blake, parkeerde zich prompt op de eerste plaats in de Britse charts en haalde de Amerikaanse top-drie. Dat volstond ruimschoots om diegenen die na Satanic Majesties hadden afgehaakt weer de oren te doen spitsen. Met het oog op hun zevende langspeler werd de line-up van The Rolling Stones uitgebreid met Nicky Hopkins op piano, Dave Mason van Traffic op mellotron en Indische fluit en, volgens sommige bronnen, zelfs Ry Cooder op mandoline.

Dat de plaat uiteindelijk met een half jaar vertraging in de rekken belandde had te maken met het oorspronkelijke hoesontwerp van Michael Vosse: een foto van een morsig toilet waarvan de muren bezaaid waren met graffiti, aangebracht door Jagger en Richards zelf. De platenmaatschappij vond de cover aanstootgevend en stelde haar veto. Na langdurige discussies stemden de Stones alsnog in met onschuldiger artwork, dat oogde als een uitnodiging voor een chique receptie en later werd geïmiteerd door Afghan Whigs voor hun ep What Jail is Like. Pas vanaf de minder preutse eighties werd de controversiële toilethoes voor de heruitgaven van Beggars Banquet in ere hersteld.

Akoestische blues met expressief slidegitaarwerk stond op de tracks centraal. The Rolling Stones trachtten zich voor te stellen hoe de platen van Mississippi Fred McDowell zouden hebben geklonken, mocht die over meer middelen en betere apparatuur hebben beschikt. De ballad No Expectations was een hommage aan Robert Johnson, terwijl Jagger zich in het van Robert Wilkins geleende Prodigal Son spiegelde aan John Lee Hooker. Het nummer, de enige cover op de lp, dateerde oorspronkelijk uit 1929 en steunde op de Bijbelse parabel van de verloren zoon. Dear Doctor, een ouderwetse countrywals, was met zijn harmonica en washboardpercussie verwant aan bluegrass. Het door Dylan bevruchte Jig-Saw Puzzle Blues, waarin min of meer de geschiedenis van The Rolling Stones werd verteld, baadde in de sfeer van de honky-tonks uit het zuiden van de VS.

Wellustig triootje

Maar ook de geile kant van de Stones kwam op Beggars Banquet aan bod. In Parachute Woman, waarin een vunzige smoelschuiver als motor dienst deed, maakte Mick Jagger alvast geen geheim van zijn bedoelingen: 'Parachute woman, will you blow me out? / Well, my heavy throbber's itchin' / Just to lay a solitary rhythm down'. In Stray Cat Blues, een wellustige rocker in de stijl van het latere Brown Sugar, zinspeelde de zanger dan weer op een triootje met een vijftienjarige deerne en haar iets oudere vriendin. 'Bet your mama don't know you scream like that', meldde hij grijnzend. Benieuwd of hij daar in deze #metoo-tijden nog mee weg zou komen.

Factory Girl, versierd met fiddle en mandoline, had een folksong uit de Appalachen kunnen zijn. Salt of the Earth tenslotte, met het Watts Street Gospel Choir in een sleutelrol, was een ode aan 'the faceless crowd' van 'hard working people'. Beggars Banquet gold als één van de eerste rock-'n-rollplaten die de arbeidersklasse aanspraken en tot denken aanzetten. In die zin weerspiegelde het werkstuk een culturele verschuiving die ongeveer samenviel met de regeerperiode van Labourpremier Harold Wilson. Hij was de man die de doodstraf afschafte en homoseksualiteit en abortus legaliseerde.

'Perfecte kunst doet je vergeten dat je met kunst te maken hebt', schreef een journaliste destijds. 'Ze getuigt van een spontaneïteit die je alleen maar kunt bereiken na een intensief denkproces'. Met Beggars Banquet rekenden de Stones af met alle hippie-onzin die hen omringde. Het was hun pleidooi voor nuchterheid, op een moment dat zich boven de groep de eerste zwarte wolken samenpakten: voor Brian Jones zou het 'bedelaarsbanket' zijn Laatste Avondmaal worden.