Halverwege de seventies weerklinkt in de Lower East Side van the Big Apple een explosie die tot ver buiten de Verenigde Staten te horen valt. Het buskruit ligt opgeslagen in muziekclub CBGB's, een plek waar eigenzinnige muzikanten een podium wordt geboden en kunstzinnige types het punkgenre een geheel nieuwe richting uit sturen.
...

Halverwege de seventies weerklinkt in de Lower East Side van the Big Apple een explosie die tot ver buiten de Verenigde Staten te horen valt. Het buskruit ligt opgeslagen in muziekclub CBGB's, een plek waar eigenzinnige muzikanten een podium wordt geboden en kunstzinnige types het punkgenre een geheel nieuwe richting uit sturen. Iedere groep die het etablissement frequenteert beschikt over een eigen smoelwerk, maar het gezelschap dat het meest van de andere afwijkt, is zonder twijfel Talking Heads. Het langspeeldebuut van David Byrne en de zijnen heet 77, naar het jaar waarin het uitkomt. Net als Horses van Patti Smith en Marquee Moon van Television zien de eerste besprekingen meteen een artistieke voltreffer. De critici spreken van 'een mijlpaal' en een recensent van het gezaghebbende blad Rolling Stone, vijf sterren in de aanslag, spreekt zelfs van 'een van de definitieve platen van het decennium'. Gespitste oren gegarandeerd dus, ook aan deze kant van de Atlantische Oceaan.Talking Heads komt weliswaar met iets nieuws op de proppen, maar tegelijk doet de muziek op een vreemde manier vertrouwd aan. De groep, steeds balancerend tussen dreigend en halfgaar, brengt de luisteraar uit zijn evenwicht, maar de toegankelijkheid schiet er nooit bij in. Voor de Heads is ieder nummer een potentiële single, beknopt en geconcentreerd. En nog belangrijker: de muzikanten verstaan de kunst de tijdgeest te vatten, zonder er zich zelf door te laten definiëren.Aanvankelijk is Talking Heads een trio. Zanger-gitarist David Byrne, drummer Chris Franz en bassiste Tina Weymouth ontmoeten elkaar tijdens hun studies aan de School of Design in Rhode Island. Daar spelen Byrne en Franz in de vroege seventies al samen in The Artistics, een band die klinkt als een losgeslagen versie van Television. Zodra ze hun diploma op zak hebben, trekken de drie naar New York, waar ze in mei 1975 voor het eerst hun opwachting maken op het verhoogje van CBGB's. Hun springerige sound is op dat moment al volledig ontwikkeld, dank zij maandenlange nachtelijke repetities. Hun groepsnaam ontlenen ze aan een tv-gids: de term talking heads duidt op camerashots waarin enkel het hoofd en de schouders van de spreker te zien zijn en de nadruk veeleer op inhoud dan op actie ligt.In New York beschouwt men de prille Heads als outsiders. Ze klinken als geen enkele andere band in de stad en hebben altijd meer met popart dan met punk gemeen gehad. De groepsleden zien er ontstellend gewoontjes uit en in tegenstelling tot hun tijdgenoten spelen ze in essentie stuiterende dansmuziek, geïnspireerd door soul en R&B. 'We hoorden in die dagen weinig dat ons echt aansprak', herinnert David Byrne zich. 'Er zat voor ons dus niets anders op dan muziek te maken die niemand anders maakte.' De zanger looft onder meer de poëtische diepgang in de teksten van James Brown. Disco is voor hem een minstens even radicale en geloofwaardige subcultuur is als het alternatieve (punk)rockwereldje dat Talking Heads op dat moment omringt: 'Voor mij staat een lp als Get It Together van The Jackson Five op dezelfde lijn als Sgt. Pepper's van The Beatles. En dan heb ik het nog niet eens over de P-funkbende gehad.' Al zijn het wel Franz en Weymouth die hem tot funk hebben bekeerd, geeft Byrne zelf geeft ruiterlijk toe.Vanaf dag één laten de Heads zich beïnvloeden door de ritmiek van zwarte muziek. Geen wonder dus dat de groep zich later gaat verdiepen in Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse grooves en voorman David Byrne zijn label Luaka Bop zal gebruiken om kosmopolitische vormen van wat dan nog world music heet, onder de aandacht te brengen. Voor Talking Heads zijn de meeste rockbands te luid en te druk. Byrne streeft bewust een cleane, afgekloven gitaarsound na, die haaks staat op de vervormde machoklank van de concurrentie en niets van doen heeft met oeverloze solo's of grote gebaren. In zijn boek From The Velvets to The Voidoids noemt auteur Clinton Heylin hen 'abnormaal normaal'. Want waar de Ramones, met wie ze regelmatig het podium delen, steevast in zwart leer worden gesignaleerd, dragen de leden van Talking Heads meestal Lacoste. Ze huldigen een 'dress as you are'-filosofie en zien er, in de woorden, van Chris Franz, op het podium uit als 'een stelletje jezuïeten', dat nauwelijks beweegt. Die imagoloosheid is overigens gewild. 'We willen de barrière tussen artiest en publiek neerhalen', onderstreept de drummer.De Heads houden van arthousefilms, zijn belezen en leggen in hun songs een ironische afstandelijkheid aan de dag. Hun collega's zetten hen bijgevolg als intellectuelen weg. Daarnaast voedt dat imago de indruk dat de muziek van de groep niet op eerlijke gevoelens steunt, iets wat David Byrne met klem tegenspreekt. De sobere look en sound van Talking Heads valt in CBGB's zeker niet bij iedereen in goede aarde. 'Veel toeschouwers weten niet wat ze met ons aan moeten', aldus Chris Franz. 'Sommige lachen ons uit, andere gedragen zich ronduit vijandig tegenover ons.' Alan Vega van Suicide is alvast geen fan: hij vindt zowat alles aan de groep 'te bestudeerd'. De pers drukt Talking Heads echter onmiddellijk aan de borst en roemt het unieke karakter van de band.Over blikvanger David Byrne, die met zijn hoekige bewegingen aan een robot doet denken, merkt een van die journalisten op dat hij lijkt op 'een gekooide tijger die aan de tralies rammelt.' Byrne cultiveert bovendien zoveel vocale tics -hij zingt haast voortdurend hoger dan zijn stembereik het toelaat- dat hij herinnert aan een drenkeling die wanhopig naar lucht moet happen. Byrnes onbeholpen stage-act staat in schril contrast met de haast wiskundige precisie van de ritmesectie. De vette grooves van Chris Franz en Tina Weymouth mikken genadeloos op de heupen van de toehoorder. Zij houden de songteksten, waarin het bizarre achter het alledaagse wordt blootgelegd, vlot verteerbaar.Als trio maken Talking Heads slechts één single, het in 1976 verschenen Love Goes To Building On Fire. Maar na een poosje begint David Byrne de beperkingen van hun minimalistische formule in te zien. Het aandeel van ieder bandlid is zo cruciaal dat het quasi onmogelijk wordt iets aan de dynamiek te veranderen. Wanneer gitarist en toetsenspeler Jerry Harrison de Heads in april '77 komt vervoegen, draagt hij meteen bij tot een vollere sound. Harrison is in de vroege seventies lid geweest van The Modern Lovers, van wie Byrne & co tijdens optredens vaak het nummer Pablo Picasso hebben gecoverd, en heeft architectuur gestuurd aan de universiteit van Harvard. Op de vooravond van een wenkende academische carrière kiest hij toch voluit voor de muziek, wanneer blijkt dat Talking Heads bij Sire een platencontract heeft getekend. 'Jerry is de wetenschapper én het sekssymbool van de groep', zal Tina Weymouth later verklaren. 'Tegelijk weet hij het bandgeluid van onwaarschijnlijk creatieve injecties te voorzien.'Talking Heads heeft nu zijn definitieve bezetting gevonden. Wanneer op 16 september 1977 hun eerste lp verschijnt, blijkt die even grillig als verrassend te zijn, even eclectisch als visionair. De songs, die hun oorsprong vinden in Caribische muziek, Motown en de bubblegumsound van de late jaren zestig, klinken intens en gebald, drijven op puntige hooks en etaleren een heldere productie. De ritmes zijn gejaagd, de tempowisselingen onverwacht, het samenspel strak. Tekstueel grijpt David Byrne naar ongebruikelijke onderwerpen -de titel van hun volgende langspeler, More Songs About Buildings and Food, spreekt in dat verband boekdelen. Niet zelden is zijn logica bevreemdend. I'm not the people you read about in books' waarschuwt hij in opener Uh-Oh, Love Comes To Town. Hij voert nerveuze personages op die gebukt gaan onder autisme (No Compassion), ADHD (New Feeling), besluiteloosheid (Tentative Decision) of taalkundige verwarring (First Week/Last Week... Carefree). Soms dobbert David Byrne op een kolkende stream of consciousness en vindt hij inspiratie in het absurdisme van Samuel Beckett. Op andere momenten klinkt hij heel claustrofobisch en heb je als luisteraar het gevoel conversaties af te luisteren in het kabinet van een zielenknijper. Eén van Byrnes vertellers houdt zelfs een pleidooi voor egoïsme: 'Be a little more sefish / It might do you good'. In Happy Day wordt de ik-figuur dan weer dermate overrompeld door de veelheid van zintuiglijke indrukken dat hij de kluts kwijt raakt, enkel nog fragmentarische boodschappen kan uitkramen en zijn communicatieve vaardigheden verliest.Ook die enkele keren dat hij het over de liefde heeft, doet Byrne dat vanuit verrassende invalshoeken, zoals in Who Is It? of het euforische The Book I Read. Tot de absolute hoogtepunten van de plaat behoren zonder twijfel Don't Worry About the Government, een sarcastische ode aan de ambtenarij ('Some civil servants are just like my loved ones'), en het sinistere maar onweerstaanbare Psycho Killer, een nummer dat Byrne jaren eerder heeft bedacht voor The Artistics, in een poging iets te schrijven in de trant van Alice Cooper. Het 'Fa fa fa fa fa'-gedeelte verwijst rechtstreeks naar een song van soulzanger Otis Redding. De eerste hit van Talking Heads is een feit.77 blijft de meest lineaire plaat uit het rijke oeuvre van Talking Heads en valt, ook voor wie ze vandaag voor het eerst beluistert, op door haar ongebreidelde veerkracht. Op later werk als Fear of Music en Remain in Light zal het kwartet, geholpen door Brian Eno, uitgebreid aan het experimenteren slaan met tapeloops en Afrikaanse polyritmiek. Maar dat is een ander verhaal.