Lisette Ma Neza: Ik schreef als kind al heel jong liedjes. Later merkte ik op dat je die ook als gedichten kan lezen. Aangezien ik veel positieve reacties kreeg, richtte ik me meer en meer op poëzie. Maar het muzikale element verdween nooit helemaal. Mijn teksten zijn heel ritmisch, en zo werd wat ik schreef eigenlijk slam poetry. Op een dag vroeg ik aan de muzikanten die op poëzieavonden muzikale intermezzo's speelden of ze met mij wilden improviseren. Uit die ontmoetingen is mijn groep The Poetry Band ontstaan.
...

Lisette Ma Neza: Ik schreef als kind al heel jong liedjes. Later merkte ik op dat je die ook als gedichten kan lezen. Aangezien ik veel positieve reacties kreeg, richtte ik me meer en meer op poëzie. Maar het muzikale element verdween nooit helemaal. Mijn teksten zijn heel ritmisch, en zo werd wat ik schreef eigenlijk slam poetry. Op een dag vroeg ik aan de muzikanten die op poëzieavonden muzikale intermezzo's speelden of ze met mij wilden improviseren. Uit die ontmoetingen is mijn groep The Poetry Band ontstaan. Slam poetry moet erkend worden als een volwaardig literair genre, vond de VUB eerder dit jaar toen ze je de Luc Bucquoye-prijs voor de literatuur uitreikte. Ma Neza: Ik vind al langer dat slampoëten als het ware op het podium hun teksten 'publiceren', maar ik was verbaasd toen ik hoorde dat anderen dat beamen. Vroeger werden er amper recensies geschreven over poëzieavonden of voorstellingen van slamdichters. Dat gebeurt nu gelukkig meer en meer. Het is heel fijn om die erkenning eindelijk te krijgen. Hoe komt iemand uit Breda in Brussel terecht? Ma Neza: Toen ik op de middelbare school zat, deed ik mee aan de Kunstbende. Dat was zo'n geweldige ervaring dat ik besloot ook in België in het project te stappen. Op aanraden van Ellen Schoenaerts, die toen in de jury zat, ben ik later in Brussel film gaan studeren. Ik vind het heerlijk om, gewapend met een camera, in dialoog te gaan met mijn omgeving. Veel ideeën voor films blijven onuitgewerkt, maar komen terug in mijn teksten. Sinds ik in Brussel woon, probeer ik ook in het Frans te schrijven. Ik voel me goed in de hoofdstad. Maar dat gevoel heb ik in meerdere steden en op verschillende manieren. In Kigali ( Ma Neza's ouders komen uit Rwanda, nvdr.) voel ik me evenzeer thuis. Wie heb je onlangs aan de tand gevoeld? Ma Neza: Mijn muzikanten. Ik had het onlangs met pianist Neil Akenzua over liefde die nergens naartoe kan gaan, liefde voor iemand die er niet meer is. Ik vroeg hem om iets te spelen vanuit zijn hart. 'Speel alsof je iemand mist,' zei ik. Zo ontstaan nieuwe nummers. Al zijn er ook heel wat ideeën verloren gegaan omdat niemand eraan dacht om de repetities op te nemen. Daar letten we sinds kort op. (lacht)Waar luister je zelf naar? Ma Neza: Ik luister de laatste tijd veel naar Nina Simone en Lauryn Hill, die ook een spreidstand maakt tussen muziek en poëzie. Maar ik leg thuis ook vaak hedendaagse muziek op: H.E.R. en Eefje de Visser bijvoorbeeld. Oei, lijkt het nu alsof ik niet naar mannen luister? (lacht) Met het oog op een nieuwe voorstelling reisde ik deze zomer door Europa, op zoek naar de Afro-Europese identiteit. Zo ben ik terechtgekomen bij Zap Mama en Les Nubians, twee zussen uit Parijs. Beide groepen hebben een soort nieuwe muziek gecreëerd, een genre dat zowel Afrikaans als Europees is. We hebben zo'n boeiende gesprekken gevoerd dat ik een documentaire over de reis wil maken. Eerder dit jaar gaf je in het kader van een project van de KVS les in een Brusselse Don Bosco-school. Wat hoopte je die jongeren bij te brengen? Ma Neza: We wilden hen op zoek laten gaan naar hun eigen verhaal. De lessen gingen niet alleen over slam poetry, maar ook over op welke manier je met je verhaal naar buiten kan treden. Of de leerlingen zich nu uitten in poëzie, of door pakweg te tekenen, is minder belangrijk. Zolang ze hun verhaal maar zelf vertellen, anders zullen anderen het voor hen doen. Tot slot: blijkbaar had jij als kind de gewoonte om elke avond in een Nederlands woordenboek te lezen. Ma Neza: (lacht) Voor alles wat je ziet, voelt en ervaart, bestaat een woord. Dat vond ik als kind waanzinnig. In mijn tienerjaren hield ik een lijst bij met woorden die alleen in een bepaalde taal bestaan. Een leuk voorbeeld is ' cafuné', Portugees voor het zachtjes strelen van het haar van je geliefde. Toen ik meedeed aan de Kunstbende, heb ik het woord in een gedicht verwerkt. Jaren later was ik in Brazilië voor een literatuurfestival. Op een avond zat ik naast een jongen die in het Portugees tegen me sprak. Ik begreep er weinig van tot hij cafuné liet vallen. Hij was je aan het versieren, dus. Ma Neza: (lacht) Ja. Maar ik dacht vooral: hé, dat woord wordt echt gebruikt!