De Oegandese rapper MC Yallah, het Keniaanse grindcoreduo Duma en het Congolese Fulu Muziki, dat instrumenten hanteert gemaakt van afval: dat zijn enkele van het stuk of twintig artiesten dat momenteel verblijft in het hoofdkwartier van Nyege Nyege, een villa in de Oegandese hoofdstad Kampala. Het is hier sowieso een komen en gaan van artiesten uit het hele Afrikaanse continent.
...

De Oegandese rapper MC Yallah, het Keniaanse grindcoreduo Duma en het Congolese Fulu Muziki, dat instrumenten hanteert gemaakt van afval: dat zijn enkele van het stuk of twintig artiesten dat momenteel verblijft in het hoofdkwartier van Nyege Nyege, een villa in de Oegandese hoofdstad Kampala. Het is hier sowieso een komen en gaan van artiesten uit het hele Afrikaanse continent. Nyege Nyege spitst zich niet toe op één genre en deelt daarbij hooguit een businessmodel met Evy Gruyaert: ook Nyege Nyege wil de mensen aan het bewegen krijgen. Damon Albarn is fan. Pitchfork en The Wire prijzen regelmatig een van hun artiesten aan. Ook Europese en Amerikaanse bookers vinden snel de weg naar de catalogus die de Belg Derek Debru en de Grieks-Armeense Arlen Dilsizian sinds 2016 almaar aandikken. De twee startten in 2014 onder de vlag Nyege Nyege met het organiseren van feestjes, omdat ze in het Oegandese nachtleven niet aan hun trekken kwamen. Een jaar later volgde een eigen festival, in 2016 een label, dat veelal cassettes uitbrengt. Dat zijn de feiten. Er circuleert immers al genoeg foute informatie over Nyege Nyege én over Debru. Zo zou hij in Burundi geboren en vervolgens in België opgegroeid zijn. Niet dus. Derek Debru:Mijn grootmoeder is wel in Burundi geboren. Ze belandde in België toen ze zes maanden was. Ken je het verhaal van de stolen children? Tijdens de kolonisatie zijn zo'n 30.000 metissen - mensen zoals mijn oma, met een Congolese, Rwandese of Burundese moeder en Belgische vader - bij hun moeders weggehaald en naar België ontvoerd. Die praktijken zijn lang onder de radar gebleven, tot Charles Michel vorig jaar in naam van de regering zijn excuses heeft aangeboden. Mijn oma is nooit teruggekeerd, maar ik heb dus wel degelijk Afrikaanse roots. (trots) Ik ben zelfs geboren met een Afrikaanse familienaam. Leg vooral uit.Debru: Raar verhaal. (lacht) Ik weet het er fijne niet van, omdat mijn vader dat onderwerp uit de weg gaat, maar we hadden allemaal dezelfde familienaam: Burumbu. Op mijn veertiende heeft mijn vader beslist die te veranderen naar Debru. Mijn zus heeft blond haar en blauwe ogen, maar hij was ervan overtuigd dat zij en ik nooit eerlijke kansen zouden krijgen met een Afrikaanse achternaam. Dat heeft hij zelf zo ervaren: van zodra iemand bij een sollicitatie de naam Burumbu las, maakte hij geen schijn van kans. Hij is zijn hele leven gediscrimineerd. Mijn grootmoeder en mijn vader hebben een moeilijke relatie met hun roots. Zij is een metis, hij een quarteron - voor een kwart Afrikaans - waardoor hij Noord-Afrikaans lijkt. Ze hebben beiden een donkere huid, maar vanbinnen zijn ze blank. Ze hebben gewoon geen affiniteit met de Afrikaanse cultuur. Daar werd thuis ook niet over gesproken. Telkens als ik een vraag stelde over onze afkomst, werd mijn vader koleirig. Die naam was de laatste link met zijn roots. Hij heeft de sporen uitgewist, zoals ook Europese Joden hun naam na de Tweede Wereldoorlog veranderden. Het is ironisch dat jij mij nu interviewt over mijn werk in Afrika, terwijl mijn vader gewild zou hebben dat ik in België als bankier of advocaat zou werken. Je runt in Oeganda een creatief huis voor artiesten van het hele continent. Wie heeft je interesse in Afrikaanse cultuur aangewakkerd?Debru: (denkt na) Niemand in het bijzonder. Ik ben altijd heel close geweest met mijn grootmoeder. Wat ik mij vooral herinner, is dat ik van jongs af gefascineerd was door het geheim dat op haar afkomst rustte. Mijn vader was heel gesloten, wat ik respecteer, maar diep vanbinnen wist ik dat ik op een bepaald moment zou verhuizen naar Afrika om mijn roots te ontdekken. Als kind was ik oprecht trots op mijn Afrikaanse familienaam. Je woont nu tien jaar in Oeganda, waarvan het grootste deel in Kampala. Waarom Oeganda en niet Burundi?Debru:Ik had een gezonde interesse in het continent en niet specifiek in één land. Het Burundi van nu is niet het Burundi waar mijn grootmoeder is geboren. Het is niet zo dat ik daar nog familie heb of zou kunnen vinden. Ik ben eerder per toeval in Oeganda terechtgekomen. Ik heb politieke wetenschappen gestudeerd aan de ULB. Daarna ben ik via mijn toenmalige vriendin, een documentairemaakster, film gaan studeren in India, waar we een Ivoriaan hebben leren kennen die ons heeft uitgenodigd om aan videoproducties in Ivoorkust te werken. Maar in dat land woedde op dat moment een burgeroorlog. We zijn dan met z'n drieën naar Oeganda verhuisd, waar we vooral documentaires draaiden en projecten van ngo's in beeld brachten. Zo heb ik Arlen trouwens ontmoet. Hij was het hoofd van een filmschool in Kampala. Wanneer is je interesse van film naar muziek verschoven?Debru:Ik ben altijd met muziek bezig geweest, maar dan eerder on the side, door bevriende artiesten te helpen met productionele zaken. Toen ik naar Kampala verhuisde, ben ik uit noodzaak met Arlen feestjes beginnen te organiseren. Vrienden van mij maakte reggae en undergroundhiphop, maar die muziek kwam in het nachtleven niet aan bod. De partyscene in Kampala was saai, heel mainstream. In elke club werd dezelfde muziek gedraaid. In de jaren tachtig en negentig waren ze hier verzot op Congolese muziek. Toen ik tien jaar geleden aankwam, was iedereen in de ban van Oegandese pop, dancehall uit Jamaica en Nigeria en Amerikaanse hiphop. Tegenwoordig is afrohouse in de mode. Er was van in het begin veel interesse in de muziek die wij promoten. Zo is onze community ontstaan: we voelden dat er nood was aan kunst en muziek die op de traditionele plekken genegeerd werd, dus begonnen we concerten, filmscreenings en feestjes te organiseren. Wat maakt Kampala een vruchtbare bodem om diverse artiesten uit heel Afrika te in de markt te zetten?Debru: Kampala is een mooi voorbeeld van panafrikanisme. Oeganda is een extreem gastvrij land. Vluchtelingen worden hier goed opgevangen. Je raakt ook makkelijk aan een visum. In het deel van de stad waar wij gevestigd zijn, vind je Oegandezen, Congolezen, Nigerianen, Kenianen, Zuid-Sudanezen... We kunnen nergens beter zitten dan hier: iedereen brengt zijn eigen cultuur binnen, wat voor een enorme rijkdom zorgt. Je voelt ook dat er een grote drang is om te creëren. Als er een vrij podium georganiseerd wordt, staat er minstens vijftig man om de micro op te eisen. Een tweede aspect is dat je in Oeganda alle lagen van de bevolking kunt bereiken. Nyege Nyege is enerzijds ontstaan om mensen te bedienen die het geld niet hadden om de grote nachtclubs te bezoeken, en anderzijds om een platform op te starten voor artiesten die weinig aan bod kwamen. In bepaalde Afrikaanse landen zorgt muziek voor een kloof tussen de sociale klassen. In Tanzania is bongo flava - een mengeling van Amerikaanse hiphop en traditionele Tanzaniaanse muziek - het geluid van de middenklasse, terwijl gengetone - een blend van reggaeton en rap - in Kenia de sound van het getto is, net als singeli in Tanzania. Het zijn populaire genres, maar enkel bij een bepaalde bevolkingsgroep. In Oeganda bestaat dat fenomeen steeds minder. Hier leven arm en rijk, zwart en blank samen. De Oegandese middenklasse, die de motor van de lokale economie is, stimuleert creatievelingen om een eigen stem te vinden. Mainstreamartiesten kopiëren minder dan vroeger wat populair is, maar proberen met iets op de proppen te komen dat hen van de rest onderscheidt. Vroeger leefde het stigma dat alles wat niet Oegandees was - of het nu Zuid-Afrikaanse, Marokkaanse of Keniaanse invloeden waren - niet door de beugel kon. Het panafrikanisme is nu ingeburgerd en werpt zijn vruchten af. Maar daarom is het nog niet makkelijk om door te breken. Oegandezen hebben een open geest - de scene is divers en leuker dan ooit, en het publiek is geïnteresseerd in nieuwigheden - maar wie geld heeft, kan nog steeds radiotijd of een artikel in de krant kopen. Hè?Debru:Je betaalt hier voor media-aandacht. MC Yallah is een goed voorbeeld. Ze is al sinds de late jaren negentig met hiphop bezig. Ze was toen ook populair, maar enkel in de underground - ze kreeg geen aandacht in de mainstreammedia. Als ik haar in de grootste krant van het land wil, moet ik daar 100 euro voor betalen. Voor de radio tel je hetzelfde bedrag neer. Dat is véél geld. Maar er waait een nieuwe wind: als je goed bent, kun je spontaan opgepikt worden, wat vroeger niet het geval was. Kunnen jullie artiesten leven van de muziek?Debru:Het is knokken, hoewel de meerderheid een aardige cent verdient. Gemiddeld verdienen onze artiesten zo'n 200 euro, waarmee ze een appartement en studioruimte kunnen huren en hun basisbehoeften betalen. Veel hangt af van de internationale tournees en het succes van de releases. Bepaalde artiesten verdienen tot 25.000 euro per jaar aan een tournee alleen, al zijn dat voorlopig uitzonderingen. Als je goed de kost wilt verdienen, heb je twee opties: je bent het type artiest dat covers speelt in een hotellobby, of je bent een grote popster die elke nacht enkele discotheken afschuimt. Daarmee verdien je op een avond rond de honderd euro, maar echt rijk zijn de meeste sterren hier niet. Ze laten uitschijnen van wel, maar dat is imago. (lacht) Een popster kan het zich niet permitteren om op een brommer rond te rijden. We werken sinds kort met een uitgever - op dat vlak hinken we nog wat achterop. We registreren nu alle songs, beheren de auteursrechten... We worden dan wel opgepikt door high-end magazines, maar daarmee betaal je geen rekeningen. Hoe staat de Oegandese overheid tegenover cultuur?Debru: De steun is nihil. Het enige dat gebeurt, is dat popsterren tijdens de verkiezingscampagnes ingehuurd worden om een breed publiek te kunnen bereiken. Er wordt geen budget vrijgemaakt voor cultuur - vroeger niet, nu niet. Met Nyege Nyege hebben we van bij de start beslist in te zetten op cultuur als exportproduct. In februari heeft een traditionele xylofoongroep opgetreden in Berlijn. Dat maakt de regering héél trots. Met zulke projecten proberen we hen te overtuigen van het belang van cultuur. Oeganda is het tweede jongste land van de wereld. Tachtig procent van de bevolking is jonger dan 25, wat betekent dat er straks een tekort aan jobs zal zijn. Wij zien cultuur als een groeisector die inkomsten genereert en jobs creëert. Complimenteert de regering jullie met jullie festival, dat ook internationale bezoekers en journalisten aantrekt?Debru: Als er toeristen komen, zijn ze uiteraard blij. (lacht) Terwijl ze niet eens begrijpen wat wij doen. De enige reden waarom wij een festival kunnen organiseren, is omdat er dankzij ons over Oeganda wordt gepraat in het buitenland. De eerste jaren was het festival underground, tot een grote sponsor zijn intrede maakte. Daardoor kwam het festival twee jaar geleden in het vizier van de minister van Ethiek, die Nyege Nyege als een kwaadaardig ritueel zag dat kinderen tot homoseksualiteit wilde verleiden. Hij heeft geprobeerd het festival af te gelasten en bracht het dossier zelfs in het parlement. Mede dankzij de lokale bevolking heeft het festival toch kunnen plaatsvinden. Er zouden drieduizend toeristen komen: de restaurants en hotels zaten vol, de transportbedrijven draaiden op volle toeren. Even voor de duidelijkheid: Oeganda is geen homofoob land, het is net heel open-minded. Er was gewoon één conservatieve politicus die van leer trok tegen ons. Já, er komen queers naar ons festival, maar het maakt mij net trots dat wij iederéén bereiken. Het festival zal dit jaar niet in zijn normale vorm plaatsvinden, maar in een kleiner formaat én online. Vrees je voor de toekomst van Nyege Nyege door het coronavirus?Debru:Het is verontrustend, maar we zullen dit overleven, zelfs nu onze artiesten niet in Afrika, Amerika of Europa kunnen touren. De inkomsten die je daaruit haalt, zijn uiteraard belangrijk, maar vooral de ervaring is onbetaalbaar: je wordt simpelweg beter door voor een publiek te spelen. Het festival blijft onze grootste bron van inkomsten. Oeganda heeft enkele maatregelen opgelegd, hoewel er slechts enkele coronagevallen zijn geweest. Er mogen maximaal vijftig personen aanwezig zijn op een event, waardoor we hebben beslist om het festival over het hele land te spreiden. In verschillende steden en wijken zullen er non-stop performances zijn - géén wilde feestjes. We gaan het festival ook livestreamen, waarvoor we een line-up hebben samengesteld met vierhonderd artiesten van het hele continent, wat anders onmogelijk zou zijn. Dit is het Afrikaanse antwoord op Tomorrowland. (lacht)