'Het ene moment bracht hij je aan het lachen, het volgende moment rukte hij je het hart uit het lijf', vat de Canadese zanger Ron Sexsmith Prines opmerkelijkste kwaliteiten samen. De artiest, geboren in 1946 in een arbeidersgezin uit Kentucky, schreef naar zijn zeggen vooral over het 'gewone leven'. Hij zag inderdaad al vroeg in dat aan tragische gebeurtenissen vaak een komisch randje zat.
...

'Het ene moment bracht hij je aan het lachen, het volgende moment rukte hij je het hart uit het lijf', vat de Canadese zanger Ron Sexsmith Prines opmerkelijkste kwaliteiten samen. De artiest, geboren in 1946 in een arbeidersgezin uit Kentucky, schreef naar zijn zeggen vooral over het 'gewone leven'. Hij zag inderdaad al vroeg in dat aan tragische gebeurtenissen vaak een komisch randje zat. In zijn werk toonde hij zich een scherpe observator, maar gaf hij tegelijk blijk van een rijke verbeelding en wist hij uit het anekdotische altijd het universele naar boven te woelen. John Prine kon de keel van de luisteraar dichtknijpen met zijn empathische portretten van kwetsbare personages, figuren die voor veel van zijn collega's onzichtbaar bleven. En hoewel hij nooit een echte hit uit zijn pen wist te knijpen, werd zijn naam door zijn collega's altijd met respect uitgesproken.De songwriters' songwriterIn al zijn bescheidenheid was Prine een songwriters' songwriter, die zijn liedjes vertolkt zag door artiesten van een divers pluimage, van Bonnie Raitt tot Evan Dando, van Bette Midler tot John Fogerty, van Joan Baez tot Laretta Lynn. Maar getuige de hommageplaat Broken Hearts and Dirty Windows, werd zijn imposante songcatalogus ook gewaardeerd door artiesten uit de indie-sector, onder wie Conor Oberst, Bon Iver, Lambchop en My Morning Jacket. Bob Dylan, met wie John Prine ten tijde van diens debuut uit 1971 vaak werd vergeleken, omschreef hem als 'een pure existentialist in de traditie van Proust'. Voor Johnny Cash behoorde hij, samen met Guy Clark, Steve Goodman en Rodney Crowell, tot de Grote Vier van de Amerikaanse muziek en voor Bruce Springsteen maakte hij deel uit van het 'nationale erfgoed'. In het vooraanstaande rockmagazine Rolling Stone werd hij dan weer naar voren geschoven als 'the Mark Twain of American songwriting'. Maar Prine kreeg vaak ook schouderklapjes uit onverwachte hoek. Zo wilde Roger Waters van Pink Floyd, die hem even hoog aanschreef als John Lennon en Neil Young, dolgraag één van zijn platen producen en loofde Flea, de bassist van de Red Hot Chili Peppers, zijn 'warme liedjes die altijd hun weg vonden in deze verwarrende wereld'. Zelfs filmmaker Michael Moore, romanschrijver Stephen King en ruimtevaarder Chris Hadfield outten zich als fans.John Prine kwam aanvankelijk aan de kost als postbode in Chicago. 'In die dagen vergeleek ik mijn bezorgingsronde met een bibliotheek zonder boeken', vertelde hij later over die periode. 'Maar ik hield mijn oren en ogen goed open en dat inspireerde mij om liedjes te verzinnen'. De artiest werd in een kleine folkclub ontdekt door Kris Kristofferson, die naar hem ging kijken op aandringen van zijn vriend Steve Goodman (de auteur van 'City of New Orleans'). Kristofferson werd meteen weggeblazen: 'Prines songs leken op niets dat ik al eerder had gehoord', zei hij. Kort daarna nodigde hij, tijdens een optreden in Greenwich Village, John Prine voor enkele nummers uit op het podium. Nog geen 24 uur later werd hem door Jerry Wexler van Atlantic een platencontract onder de neus geschoven.Zijn titelloze debuut, dat in februari 1971 het licht zag, was een instant-klassieker, en bevatte enkele van zijn onsterfelijkste meesterwerkjes. Sam Stone, over een Vietnamveteraan die als heroïneverslaafde van de oorlog terugkeert ('There's a hole in daddy's arm where all the money goes'), het indringende Hello in There, over een ouder stel dat van eenzaamheid verkommert, Angel From Montgomery, over een oudere vrouw die haar dromen één voor één in rook op ziet gaan; Paradise over een stadje in Kentucky dat letterlijk van de kaart wordt geveegd om de belangen van een steenkoolmaatschappij te dienen. Maar er stonden zeker ook luchtiger momenten op de lp: Illegal Smile was bijvoorbeeld een geestig liedje over een wietroker, terwijl Your Flag Decal Won't Get You Into Heaven Anymore een parodie was op zelfgenoegzame patriotten die zelfs hun gordijnen en beddelakens met 'stars and stripes'-motiefjes versierden. Een muzikale vernieuwer is John Prine nooit geweest. Zijn hele carrière bewoog hij zich altijd netjes tussen de stilistische grenzen van folk, country, bluesgrass en rockabilly. De tegencultuur van de sixties leek volkomen aan hem voorbij te zijn gegaan: zijn muziek was vooral schatplichtig aan de tijdloze folktradities uit de Appelachen en de country en gospel van de Carter Family. Zijn nasale, raspende stem klonk doordeweeks en ongekunsteld. 'Prine klinkt zowaar alsof hij een mondharp heeft ingeslikt', liet Bob Dylan -toch óók niet bepaald een belcantozanger- zich destijds ontvallen.Anti-establishment In de loop van het decennium maakt John Prine een achttal uitstekende platen voor labels als Atlantic en Asylum, waaronder Diamonds in the Rough, het door Steve Cropper geproducete Common Sense en het in de legendarische Sun-studio in Memphis ingeblikte Pink Cadillac. Op Bruised Orange werkte hij zelfs samen met Phil Spector. Wie met gespitste oren naar zijn songs luisterde, zou al gauw vaststellen dat bij Prine lang niet alles was wat het leek. Zo was de countryhit You Never Even Called Me By Your Name, die hij in 1975 cadeau deed aan David Allen Coe, in wezen een regelrechte aanval op het country-establishment.In 1984 besloot John Prine zijn eigen indielabel Oh Boy op te richten, wat hem toeliet alle aspecten van zijn carrière in eigen handen te nemen. Door in zee te gaan met producer Howie Estein, de bassist van The Heartbreakers, slaagde hij er meteen in een jonger publiek aan te boren. Eén en ander leidde tot succesrijke langspelers als The Missing Years (1991), met gastbijdragen van Tom Petty en Bruce Springsteen, en Lost Dogs + Mixed Blessings ('95).Dat John Prine over een onnavolgbaar gevoel voor humor beschikte, bleek onder meer uit een song als The Missing Years, waarin de zanger op een hilarische manier vertelt wat Christus zoal uitrichtte tijdens de achttien jaar van zijn leven waarover in de bijbel niets te lezen staat: 'He went to France, he went to Spain / He found love, he found pain / He found stores, so he started to shop / He had no money, so he got in trouble with a cop'. Ook op zijn laatste plaat, het inmiddels vier jaar oude Tree of Forgiveness viel heel wat te lachen. Het album is zijn eerste met origineel materiaal sinds het tien jaar eerder verschenen Fair and Square (2006) en meteen de eerste die daadwerkelijk de kassa deed rinkelen. In het slotnummer van het werkstuk, When I Get To Heaven, maakte John Prine zich bijvoorbeeld vrolijk over zijn eigen dood: 'When I get to heaven, I'm gonna shake God's hand / Thank him for more blessings than one man can stand / Then I'm gonna get a guitar and start a rock-n-roll band / Check into a swell hotel, ain't the afterlife grand?' Op zijn oude dag bereikte de zanger dus voor het eerst in zijn leven alsnog de Amerikaanse top-tien, al werden ook zijn twee langspelers met duetten die hij tussendoor uitbracht prima ontvangen.GezondheidsproblemenDe jongste decennia werd Prine almaar vaker geplaagd door ingrijpende gezondheidsproblemen. Net voor de eeuwwisseling werd bij hem keelkanker vastgesteld en toen de dokters de tumor verwijderden werden zenuwen in zijn tong en enkele nekwervels beschadigd. De ingrepen hadden invloed op zijn stem, maar de artiest was allang blij dat hij nog kon zingen. 'Ik vind dat ik nu veel beter klink', verklaarde hij laconiek. 'Ik heb er altijd al moeite mee gehad naar mijn eigen stem te luisteren. Nu ze een beetje is gezakt, klinkt ze me veel vriendelijker in de oren'. In 2013 werd bij Prine wéér een tumor vastgesteld, waarbij een deel van zijn linkerlong diende te worden verwijderd. Het belette hem niet zes maanden later alweer op het podium te staan en nieuwe nummers te schrijven. Vorig jaar nog zag de zanger zich genoodzaakt zijn Europese tournee af te zeggen omdat hij een heupoperatie moest ondergaan.Enkele weken geleden, op 26 maart, werd John Prine in het ziekenhuis opgenomen, nadat een test uitmaakte dat hij besmet was met het coronavirus. Toen zijn toestand zienderogen achteruit ging werd hij overgebracht naar de afdeling Intensieve Zorg van het Vanderbilt University Medical Center in Nashville, waar hij in de nacht van dinsdag op woensdag overleed.Hoewel Prine pas op late leeftijd enig commercieel succes scoorde, vielen hem heel wat prestigieuze onderscheidingen te beurt. Van zijn elf Grammy-nominaties wist hij er twee te verzilveren. In 2019 werd hij opgenomen in de Songwriters Hall of Fame en in december werd bekendgemaakt dat hij dit jaar een Grammy zou krijgen voor zijn hele carrière. De zanger, die eerder al twee mislukte huwelijken achter de rug had, was getrouwd met de Ierse Fiona Whelan, die ook zijn manager was. Hij laat drie zonen na.John Prine, wiens werk bij ons onder meer werd vertaald en vertolkt door Jan De Wilde en Guido Belcanto, zal wellicht de geschiedenis in gaan als één van de markantste stemmen van het proletarische Amerika. En ook al is hij niet meer onder ons, zijn personages (zoals het liefdeloze stel Donald and Lydia) zullen hem ongetwijfeld nog lang overleven.