Gent, een vrijdagavond in mei 2016. In een uitverkochte Balzaal van Vooruit gaat een bezwete menigte uit de bol op een bevreemdende maar opzwepende melange van analoge afropop, rap en house. De man met de microfoon centraal op het podium is de Ghanees Yaw Atta-Owusu, maar de mensen in de zaal kennen hem als Ata Kak. Hij staat voor het eerst voor een Europees publiek. De plaat waarmee Atta-Owusu zoveel zieltjes won, heet Obaa Sima en werd in eigen beheer uitgebracht in 1994. Op cassette. Op vijftig exemplaren. En nee, dit is geen fictie.
...

Gent, een vrijdagavond in mei 2016. In een uitverkochte Balzaal van Vooruit gaat een bezwete menigte uit de bol op een bevreemdende maar opzwepende melange van analoge afropop, rap en house. De man met de microfoon centraal op het podium is de Ghanees Yaw Atta-Owusu, maar de mensen in de zaal kennen hem als Ata Kak. Hij staat voor het eerst voor een Europees publiek. De plaat waarmee Atta-Owusu zoveel zieltjes won, heet Obaa Sima en werd in eigen beheer uitgebracht in 1994. Op cassette. Op vijftig exemplaren. En nee, dit is geen fictie. Eén man ligt aan de bron van dit muzikale sprookje: Brian Shimkovitz, een dertiger uit New York. Begin deze eeuw, tijdens zijn studies etnomusicologie, hoort hij voor het eerst de afrobeat van de Nigeriaanse legende Fela Kuti. Hij is meteen verkocht. Met behulp van een internationale uitwisselingsbeurs trekt hij enkele jaren later naar Ghana, om er zich in de lokale muziekcultuur onder te dompelen. Hij hoort er voornamelijk de gangsterrap van Biggie Smalls en Tupac Shakur. Maar gaandeweg ontdekt Shimkovitz tientallen lokale hybrides van traditionele highlife met allerlei westerse, elektronische invloeden. Rauwe, primitieve bastaardklanken die nauwelijks bekend zijn buiten de provincie of stad waar de artiesten hun muzikale waren via het cassettecircuit slijten op markten, bij kappers of in kruidenierszaken. In 2006, na verschillende West-Afrikaanse trips, besluit Shimkovitz zijn collectie curiosa met de rest van de wereld te delen en richt hij een blog op. De naam ligt voor de hand: Awesome Tapes From Africa. De eerste van de honderden mp3's die op de blog zullen verschijnen staat op naam van ene Ata Kak. 'De blog was een manier om mensen op een niet-academische manier te bereiken', vertelde Shimkovitz enkele jaren terug aan The Independent. 'Ik realiseerde me dat een cursus me niet erg ver zou brengen.' Tegelijk, en waarschijnlijk zonder het te beseffen, raakte de archivaris daarmee ook een pijnpunt in de Afrikaanse muziekgeschiedenis aan. Want lang voor het internet werd uitgeroepen tot publieke vijand nummer een van de muziekindustrie - Napster en co., weet u nog? - vocht de Afrikaanse markt een verloren strijd tegen een andere vijand: zichzelf. Door te kiezen voor cassettes lag de weg naar piraterij namelijk wagenwijd open. Labels en distributeurs zongen het nooit lang uit, als een slang die zijn eigen staart verorbert. Voor de artiesten zelf was overleven van de verkoop simpelweg geen optie, een economisch model waarmee ze in Afrika voor een keer mijlenver voorlagen op het Westen. Maar het internet is een vreemd ding. Hoe ironisch is het niet dat Brian Shimkovitz via een digitaal platform een analoog, lokaal product internationaal aan de man brengt? In het gigantische woud van het wereldwijde web springt Awesome Tapes From Africa eruit als een kleurrijke, exotische bloem. 'Ik werd zeer geïnspireerd door de reacties van mensen die opgegroeid waren met de muziek of mensen die ze net ontdekten', aldus de oprichter. 'Ik krijg nog steeds berichten als 'Yo, ik kom uit Nebraska, ik heb nooit eerder van deze stuff gehoord, en het is dope en geweldig'. Met zijn mp3-blog zette Shimkovitz een deur open naar een grotendeels onbekende wereld van Afrikaanse traditionele en gemuteerde muziek, zonder dat de makers ervan op de hoogte waren. Daar wilde hij verandering in brengen. Maar obscure artiesten uit de spontaan desintegrerende Afrikaanse muziekindustrie lokaliseren bleek geen sinecure. Soms zocht hij online naar interviews door lokale journalisten, beproefde hij zijn geluk op Skype of bleek via-via de juiste manier: 'Toen ik eens een Somalische artiest wilde bereiken ben ik alle Somalische kruideniers in het telefoonboek beginnen te bellen, tot ik iemand vond die hem kende.' De zoektocht naar Ata Kak nam enkele jaren in beslag, in het geval van de Ethiopische toetsenist Hailu Mergia had Shimkovitz meer geluk. 's Mans telefoonnummer stond gewoon op het internet, want hij woonde al enkele decennia in de VS, waar hij taxichauffeur was. Na drie heruitgaves van zijn albums uit de jaren zeventig blikte de Ethiopiër intussen ook een nieuwe elpee in - het in dit blad met vijf sterren gequoteerde Lala Belu - en gaat hij met een nieuwe liveband opnieuw de hort op, langs zalen gevuld met jonge mensen die zijn muziek dope en geweldig vinden. Met dank aan Brian Shimkovitz, muzikaal ontdekkingsreiziger, labelbaas, dj en patroonheilige van de Afrikaanse cassettecultuur.