Ik weet nog precies welke plaat in 1994 mijn jaarlijstje aanvoerde. Het was een moeilijke afweging tussen Dummy van Portishead en Grace van Jeff Buckley, maar de laatste won uiteindelijk het pleit. Het ging tenslotte om één van de fraaiste langspeeldebuten uit de post-grungeperiode. Dat lag niet alleen aan het verbluffende niveau van de songs, maar ook -en vooral- aan Buckleys stem, een wendbaar instrument dat schijnbaar moeiteloos tot de onwaarschijnlijkste vocale acrobatieën in staat bleek.
...

Ik weet nog precies welke plaat in 1994 mijn jaarlijstje aanvoerde. Het was een moeilijke afweging tussen Dummy van Portishead en Grace van Jeff Buckley, maar de laatste won uiteindelijk het pleit. Het ging tenslotte om één van de fraaiste langspeeldebuten uit de post-grungeperiode. Dat lag niet alleen aan het verbluffende niveau van de songs, maar ook -en vooral- aan Buckleys stem, een wendbaar instrument dat schijnbaar moeiteloos tot de onwaarschijnlijkste vocale acrobatieën in staat bleek. De nummers waren dooraderd met passie en intensiteit en gaven blijk van een onstuitbare muzikale exploratiedrang. Buckleys dromerige teksten waren mysterieus en multi-interpretabel, zijn arrangementen klonken even subtiel als verrassend en zijn vertolkingen, die steunden op poëtisch inzicht en gevoel voor drama, gingen door merg en been.Het leidt geen twijfel dat Jeff Buckley zijn vocale souplesse langs genetische weg had mee gekregen. Hij was nu eenmaal de zoon van de in 1975 overleden Tim Buckley, al deed hij er alles aan om die verwantschap zoveel mogelijk verborgen te houden. Zijn verhouding met zijn verwekker was, zacht gezegd, nogal ambivalent. Buckley Sr. liet het gezin in de steek toen Jeff amper zes maanden oud was en daarna zou het tot zijn achtste duren voor de jonge Buckley nog eens een week met zijn vader doorbracht. Beide artiesten mochten dan over een vergelijkbare muzikale gave beschikken, elkaar kénnen deden ze niet. En toch: toen Jeff op zijn 23ste van de Amerikaanse westkust naar Brooklyn verhuisde, gebeurde dat op uitnodiging van Hal Willner, die hem vroeg enkele songs van zijn pa te zingen tijdens een herdenkingsconcert. De stem van de jonge Buckley sloeg iedereen met verstomming: platenmaatschappij Columbia zwaaide prompt met een contract en enkele jaren later, op de leeftijd waarop zijn vader aan een overdosis heroïne was overleden, maakte Jeff een plaat die zowel van kwetsbaarheid als van spiritualiteit getuigde.Hoogtepunten zat op Grace. Het overweldigende Last Goodbye dobberde op een golf van ambient-gitaren, treurige strijkers en vage oriëntaalse toonzettingen. So Real werd, na een poppy begin, overwoekerd door schurende noisegitaren. Eternal Life hulde zich in een gewaad bestikt met withete Led Zeppelin-riffs. Lover You Should've Come Over was van een statige harmoniumintroductie voorzien en in het bezwerende, mantra-achtige Dream Brother (met echo's van The Doors) deden de snarenweefsels aan ragfijne dauwdraden denken.Er stonden ook drie uitstekende covers op de cd: een kale, door John Cale geïnspireerde maar inmiddels als definitief bekend staande solo-uitvoering van Leonard Cohens Hallelujah; het behoedzaam voorbijschuifelende, lichtjes naar jazz neigende Lilac Wine, bekenduit het repertoire van Nina Simone, en het klassieke Corpus Christi Carol, uit het Verzamelde Werk van Benjamin Britten. Dat laatste, gezongen met een engelachtige falsetstem, was het minst representatieve nummer uit de plaat, maar viel beslist niet uit de toon.Bovendien introduceerde Jeff Buckley een prima band die voor een sobere maar doeltreffende begeleiding zorgde. Matt Wallace, bekend van zijn werk met Henry Rollins en Rage Against the Machine, stond in voor een productie die aansloot bij de tijdgeest zonder het unieke karakter van de composities aan te tasten.Op 21 december '94 gaven Buckley en zijn gezellen, in de Antwerpse Pacific, hun eerste Belgische concert. Ook die avond haalde de zanger halsbrekende toeren uit met zijn androgyne stembanden: hij scheurde van de ene toonladder naar de andere alsof het om nietige verkeersdrempeltjes ging en legde daarbij een imposante emotionele zuiverheid en lyrische diepgang aan de dag. Naarmate de show vorderde, bleek overigens dat de jonge Amerikaan lang niet zo'n treurwilg was als de donkere teneur van zijn werk deed vermoeden. Integendeel, zijn lichtvoetige podiumgedrag stond in schril contrast met de beklemmende intensiteit van zijn liedjes. Hij stak, soms op een wat geforceerde manier, de draak met de hippiecultuur van zijn ouders en twijfelde wel eens tussen inleving en pastiche.Daar tegenover stonden zijn doorvoelde voordracht en verbluffende interpretatievermogen. Een zomer later stond hij met zijn groep al op de festivals van Torhout en Werchter, waar hij met een verschroeiende versie van MC5's Kick Out The Jams kwam aanzetten. Buckley had zijn entree niet gemist: Elvis Costello, Chrissie Hynde, Paul McCartney, allemaal vonden ze hun weg naar zijn optredens en strooiden ze in de kleedkamer kwistig met superlatieven. Jimmy Page noemde Grace zelfs zijn favoriete plaat van het decennium. Uiteraard kwamen Jeff Buckleys visie en muzikale behendigheid niet zomaar uit de lucht vallen. Een klein half jaar vóór Grace was bij het kleine Britse Big Cat-label al de ep Live Sin-é verschenen. Eerst had de zanger een poosje deel uitgemaakt van Gods and Monsters, de band van ex-Captain Beefheartgitarist Gary Lucas met wie hij samen de songs Mojo Pin en Grace had geschreven. Vanaf '92 speelde Buckley iedere maandagavond in Sin-é, een klein, intiem café in downtown New York waar hij, slechts gewapend met zijn stem en Telecastergitaar, voor een luisterbereid publiek de gelegenheid kreeg zijn ambacht te ontwikkelen. Zo maakte hij zich andermans songs eigen door ze compleet binnenstebuiten te keren. Sin-é was zijn leerschool, zijn laboratorium, de plek waar hij spontaan dingen kon uitproberen en ontdekte hoe hij het best met zijn toeschouwers kon communiceren. Iedere avond was anders maar bracht hem telkens wél een stukje dichter bij zijn doel. Jeff Buckley toonde zich als een charismatische performer, die op dat moment nauwelijks over oorspronkelijk materiaal beschikte, maar zonder vastomlijnd plan op zoek ging naar een eigen stem. Soms bracht hij een song drie keer per avond, waarbij iedere versie drastisch afweek van de vorige. Al doende zocht hij uit hoever hij kon gaan met andermans werk, zonder rekening te houden met hoe een doorsnee live-set er hoorde uit te zien. De zanger debiteerde allerlei grapjes en geestigheden, imiteerde stemmen, becommentarieerde de kledij van de aanwezigen, zong tussen de nummers door reclamejingles uit zijn jeugd en wist duidelijk nog niet welke Jeff Buckley hij precies wilde worden. Een folkie? Een rocker? Een soulzanger? Dat alles tegelijk? Hij mocht zich dan nog niet bewust zijn van het effect dat hij had op het publiek, toch ging zijn veelzijdigheid niet ongemerkt voorbij. Bob Dylan, Van Morrison, The Smiths, Ray Charles, Nina Simone, Franse chansons van Edith Piaf, de quawwaligezangen van de Pakistaanse zanger Nusrat Fateh Ali Khan, Buckley Jr draaide er zijn hand niet voor om. Hij ging dermate op in de muziek dat hij domweg vergat met zijn hoed rond te gaan. Vier live-opnamen uit die periode verschenen, bij wijze van introductie, op een ep'tje dat vooral aangaf hoezeer het met zijn carrière nog alle kanten uit kon. Toen in 2004 een jubileumversie van Grace uitkwam, werden zelfs blues- en countrycovers van Screaming Jay Hawkins, Bukka White en Hank Williams als bonus toegevoegd.Jeff Buckley was er beducht voor tot een hype te worden gebombardeerd. Op zijn 25ste had hij er al een decennium van intensieve studie opzitten: hij beschouwde zijn muzikale helden als leermeesters die hem hielpen 'to get inside the skin of the songs'. De zanger werd geloofd om zijn muzikale souplesse, maar zelf was hij de eerste om zijn kunnen te relativeren. 'Techniek is enkel zinvol als je écht iets te vertellen hebt', vond hij.Na het succes van Grace schuimde Jeff Buckley twee jaar lang de podia van de grote continenten af, maar hij bleef onzeker over de richting die hij vervolgens wilde inslaan. 'Eigenlijk wilde hij een grofkorreliger plaat maken dan Grace', aldus gitarist Michael Tighe. 'Hij besefte dat hij daarmee een deel van zijn vroege fans zou afstoten, maar dat leek hem niet te deren.' Die tweede langspeler liet echter op zich wachten: Buckley werd geplaagd door faalangst en My Sweetheart the Drunk, de cd waar hij sinds de zomer van '96 met Tom Verlaine als producer aan had gesleuteld, was in zijn ogen net niet goed genoeg. Dus besloot hij tot een tabula rasa: hij stuurde zijn groep naar huis en trok naar Memphis om er nieuw en, hopelijk beter, materiaal te schrijven. Hij voelde zich op zijn gemak in Tennessee, omdat haast niemand hem er kende en hij er een normaal leven kon leiden, ver van de door rocksterren geobsedeerde media. Jeff Buckley had al drie jaar een relatie met Joan Wasser (toen van The Dambuilders, vandaag bekend als Joan as Police Woman), die hij met succes ten huwelijk had gevraagd. Er waren nieuwe opnamesessies gepland met Andy Wallace, waartoe de muzikanten op 29 mei zouden terugkeren naar Memphis. Maar op weg naar hun oefenruimte maakten Jeff en zijn vriend Keith Foti eerst nog een ommetje langs Wolf River Harbor, een zijarm van de Mississippi. Buckley was in een frivole bui en terwijl hij luidkeels Whole Lotta Love van Led Zeppelin zong, besloot hij, met zijn kleren aan, een eindje te gaan zwemmen. Wellicht veroorzaakten twee voorbijvarende boten een gevaarlijke onderstroom die hem de diepte in zogen. Zijn levenloze lichaam werd pas een kleine week later teruggevonden. Jeff Buckley was slechts dertig jaar oud.Een jaar na zijn dood verscheen, onder toezicht van zijn moeder, Mary Guibert, en enkele vrienden, een dubbel-cd met nagelaten werk. Een 'schetsboek', benadrukten de samenstellers, want had Jeff nog geleefd, dan zouden de songs in deze vorm nooit het licht hebben gezien. Sketches For My Sweetheart the Drunk, met 21 tracks zoals Buckley ze achterliet, bevatte inderdaad enkele onvolkomenheden, maar er stond weinig op dat de artiest postuum onrecht aandeed. Veel van zijn collega's zouden ongetwijfeld een arm en een been veil hebben gehad voor een plaat van dit niveau. Zeker de met Tom Verlaine opgenomen eerste cd, klonk goed tot uitstekend: Het gespierde The Sky is a Landfill, het verrassend soulvolle Everybody Here Wants You, het tussen The Cure en T. Rex bewegende Nightmares By the Sea, het als oriëntaalse mantra vermomde New Year's Prayer, het even intieme als breekbare Opened Once, het gracieuze Morning Theft... Al die songs bevestigden dat Buckley Jr. over lenige, expressieve stembanden beschikte. Zelfs de solo ingeblikte viersporendemo's lieten geen twijfel bestaan over 's mans uitzonderlijke talent.In de voorbije jaren zagen nog méér archiefopnamen het licht: vroege probeersels met Gary Lucas (Songs To No One), de concertregistraties Mystery White Boy en Live à l'Olympia en nog een stuk of wat compilaties. Door zijn vrij bescheiden output laat Jeff Buckley ons hoe dan ook achter met een gevoel van onvervuld potentieel. We kunnen alleen maar speculeren over waar de artiest, had hij vandaag nog geleefd, als vijftiger zou hebben gestaan. 'I'm a railroad track abandoned / With the sunset forgetting I ever happened', klonk het in één van zijn laatste songs. Alsof de zanger zich toen al had neergelegd bij zijn al te korte bestaan.