The Flaming Lips: een eenhoorn, een roze robot en andere (space) oddities

'Yeah, there should be unicorns, the ones with the purple eyes', zong Wayne Coyne, de frontman en notoire gek achter The Flaming Lips. En kijk, prompt kwam hij met een plastieken eenhoorn-op-wieltjes het publiek in gerold. En dan moet u weten dat we al drie nummers ver waren in de set, en er reeds een hele resem megaballonnen en confettisnippers de zaal in geslingerd waren - wat later zou de band ook nog een reusachtige roze robot laten aanrukken, en een opblaasbal waar Coyne in kroop om er vervolgens mee over het publiek te surfen. The Flaming Lips, nooit minder dan een belevenis.
...

'Yeah, there should be unicorns, the ones with the purple eyes', zong Wayne Coyne, de frontman en notoire gek achter The Flaming Lips. En kijk, prompt kwam hij met een plastieken eenhoorn-op-wieltjes het publiek in gerold. En dan moet u weten dat we al drie nummers ver waren in de set, en er reeds een hele resem megaballonnen en confettisnippers de zaal in geslingerd waren - wat later zou de band ook nog een reusachtige roze robot laten aanrukken, en een opblaasbal waar Coyne in kroop om er vervolgens mee over het publiek te surfen. The Flaming Lips, nooit minder dan een belevenis. En de muziek, maestro? Die hield als vanouds het midden tussen poppy (Race for the Prize, Yoshimi Battles the Pink Robots) en psychedelisch (Are you hypnotist?, Pompeii am Götterdämmerung). Zeventien (!) platen hebben The Lips inmiddels uit, en toch was er vrijdag in de Marquee nog ruimte voor een cover: Space Oddity van David Bowie. 'Hij is inmiddels ruim anderhalf jaar dood, en toch blíjven we dit nummer avond na avond spelen', dixit Wayne Coyne. 'Commencing countdown, engines on / Check ignition and may God's love be with you', zong hij, en heel even dachten we dat hij zichzelf écht de ruimte in zou schieten.Tussen Nicolas Jaar en Pukkelpop is het dikke mik. In 2012, het jaar na zijn debuut-lp Space Is Only Noise, hield de Chileense Amerikaan een geslaagde hypnosesessie in de Castello, twee jaar later tekende hij met Darkside - in duo met gitarist Dave Harrington - voor één van dé concerten tijdens een editie met onder meer Portishead, FKA twigs, The War on Drugs, William Onyeabor, Bill Callahan en het pas doorbrekende Oscar and the Wolf op de affiche. Vanavond stond Jaar opnieuw moederziel alleen op de bühne van de Marquee. Darkside is niet meer, een tijdlang legde de producer zich vooral toe op zijn label Other People, tot eind vorig jaar de langspeler Sirens uit de lucht viel. Een plaat waarop Jaar komaf maakte met het kabbelende geluid van voorheen en de contrasten in zijn muziek veel krachtiger uitspeelt. Een plaat die Jaar er ook toe bewoog minder knoppendraaier en meer eenmansgroep te worden. Na een korte, kenmerkend zweverige opbouw, waarin hij verscholen zat achter een rookgordijn, nam hij het publiek bij het nekvel en bracht hij hen anderhalf uur later in extase met een psychedelische trip door techno, industriële postpunk, noise en dub. We zagen volwassen mannen elkaar aftasten tijdens een geïmproviseerde paringsdans, meisjes met gesloten ogen het nirvana bereiken, en Jaar toetsen bedienen, zingen, en saxofoon spelen. Een slome versie van Space Is Only Noise If You Can See - gothic electro, iemand? - rolde de loper uit voor een op percussie aangedreven Mi Mujer, één van 's mans eerste clubhits uit 2010. Geen confetti, geen vuurwerk, geen spectaculaire lichtshow, maar de tent stond op zijn kop. Ja, dat zit wel snor tussen Nicolas Jaar en Pukkelpop. Houden zo. Ze maakten twee fel gehypete platen in twee jaar, en toerden daar de voorbije twee jaar nagenoeg onafgebroken mee, met een steengoeie livereputatie tot gevolg. Die werd vrijdag verzilverd met een laatavondspot in de Club. Dik verdiend, Stuff. Toen het Gentwerpse kwintet het podium ruim na middernacht betrad, was dat met samples die uit een oude radiotransmitter leken te komen op de achtergrond. Al snel werd Skywalker ingezet, en vanaf dan was er geen houden meer aan. 'Pukkelpop, we gaan er hier een feestje van maken', opperde Lander Gyselinck. En of het een feest werd. Gyselinck haalde acrobatische kunstjes uit met zijn drumsticks, Andrew Claes blies de gekste klanken uit zijn EWI, Joris Caluwaerts leek één te worden met zijn keyboard, Dries Laheye toverde een moddervette groove uit zijn bas en 'mixmonster' Menno Steensels smokkelde af en toe wat raps door de set.Voor wat deze vijf gasten - mooi gebruind want net terug van Sicilië - samen klaarspelen bestaat maar één woord: magie. Zowat allemaal hebben ze jazz door hun aderen stromen, maar hun kop zit toch vooral bij electro, hiphop en funk. De som der delen is iets... onwerelds. Meer nog: bijwijlen is Stuff ronduit weirde shit - een space jam! En toch ging het festivalpubliek vlotjes mee in de trip. Stuff maakte zijn livereputatie weer helemaal waar. Vree wijs!Nogal wat artiesten op deze line-up bevinden zich in de aanloop naar de release van een nieuwe langspeler, later dit najaar. Mount Kimbie is er daar één van. Begin september verschijnt What Loves Survives, de derde plaat in zeven jaar tijd voor de Londenaars Kai Campos en Dominic Maker. Het is die eerste die meteen 'a new song' aankondigt, waarop Maker een uit het bos van The Cure gekronkelde baslijn van tussen zijn snaren plukt. Mount Kimbie is steeds minder het project van twee zolderkamerproducers en steeds meer een band. In Kiewit liet het centrale duo zich begeleiden door een drummer en een assistente op afwisselend zang, Korgsynthesizer en basgitaar. Iedereen die zijn vlag plant in Mount Kimbie moet een beetje multitalent zijn, hier wordt de centrale rol geenszins door de laptop gespeeld. Een makkelijke groep is het niet. Ten tijde van het debuut Crooked Lovers (2010) werden ze, wegens hun connectie met James Blake, in het post-dubstepvakje ingedeeld. Sindsdien deed Mount Kimbie alles om dat label van zich af te schudden. Met succes, want hun komende passage in de AB (4 oktober) is reeds lang op voorhand uitverkocht, en ook in de Castello werd de groep luid joelend en fluitend aangemoedigd. En dat voor een groep die niet klaar blijkt met zichzelf heruit te vinden. We noteerden flarden dub, Afrikaanse motiefjes, new wave-invloeden en grillige synthpop, soms verstrengeld, soms uitgepuurd, maar altijd binnen de contouren van Mount Kimbie. 'Wij wonen in Londen, de meltingpotstad bij uitstek', antwoordde Kai Campos drie jaar geleden in Knack Focus op de vraag hoe Brits hun muziek is. 'Onze muziek is ook zo'n mengelmoes, we gebruiken de voor ons meest aantrekkelijke elementen uit verschillende stijlen en genres. En ook zelfspot, twijfel en onzekerheid, misschien wel de belangrijkste Britse waarden die er zijn, zijn ons niet vreemd'. 'We zijn een toonbeeld van amateurisme', voegde Dominic Maker daaraan toe. Intussen gebruikte Chance The Rapper een Mount Kimbie-sample op zijn album Coloring Book en schreef Maker mee aan een track (MaNyfaCedGod) op de nieuwe van Jay Z. Met de laatste nieuwe single Blue Train Lines - zonder gastvocalist King Krule, maar mét een vaart zoals we die kennen van LCD Soundsystem - en het onvermijdelijke Made To Stray sloot Mount Kimbie zijn perfect opgebouwde set af. Post-amateurisme. Post-charisma. Post-whatever: ze zijn ver gekomen en zullen nog ver geraken. 'Pukkelpop, zijde wakker?' - De Gentse -r van Matthias De Craene rolt in de Lift. Aan de talrijke wakkere kopjes te zien die zich rond halfdrie in de tent verzamelden voor Nordmann is de zilveren medaille die het combo drie jaar geleden veroverde op Humo's Rock Rally nog niet vergeten. 'We zijn fokking blij om hier te zijn', aldus de saxofonist, die ook freelancet bij Vuurwerk (nu VRWRK) en de voorbije maanden op menig podium mooie dingen liet horen met MDC III, zijn trio met drummers en Lennert Jacobs (The Germans) en Simon Segers (Stadt, De Beren Gieren). Het kwartet past perfect in die huidige new wave van de Belgische jazz - is het nu jazzy rock, of rockende jazz? - en freewheelende (instrumentale) combo's die van stijlbreuken een deugd maken - zie ook Dans Dans en Manngold. Eind september verschijnt hun tweede album The Boiling Ground, en het voorproefje dat Nordmann op het Pukkelpopmenu zette, klonk alvast veelbelovend. Bij single The King is het moeilijk om níet aan Morphine te denken, de band rond Mark Sandman zaliger. Briesende sax, een bas die net onder de gordel mikt en... tiens, hebben die van Nordmann de drummer van Ty Segall gisteren uit de tourbus gekidnapt en aan een krukje vast getapet? Omwegen langs grillige soundscapes zoals we die kennen van Nick Cave-handlanger Warren Ellis, exotisch aandoende intermezzo's in het verlengde van Henry Mancini, surfgitaren, rockabillyroffels: de heren hebben het allemaal in huis maar bewaren toch knap het evenwicht op hun solide geluidsmuur. Wie nog met de slaap in de ogen zat, was bij deze klaarwakker. Nordmann: straffer dan espresso. Ga eens nippen in de AB op 18 oktober. Kanye West, Drake, Solange, Frank Ocean, Jessie Ware, FKA twigs: het aantal wereldsterren dat al weleens naar Sampha Sisay gebeld heeft voor een vocal of een productionele klus is niet gering. Maar dit jaar trad de 28-jarige Brit - eindelijk - uit de schaduw van de groten. Of zoals hij het zelf zingt in (No one knows me) like the piano, een van dé ballads van het jaar: 'You know I left, I flew the nest.'En ze staat hem nog ook, die solo-outfit. Dat bleek al op Process, de plaat die hij begin dit jaar in uw Spotify-afspeellijst mikte. Ook op Pukkelpop toonde hij zijn mannetje te kunnen staan als soloartiest. 'If heaven's a prison, then I am your prisoner', stak hij van wal in de Club, met een stem die soul ademde. Elektrosoul, that is, want de sound die zijn drie bandleden in de achtergrond tentoonspreidden, had het op uw dansbenen gemunt. Met uitzondering van de ballad No one knows me en de Drake-collab Too Much, twee nummers waarmee Sampha bewees ook te kunnen beroeren. Diep in de finale drukte de 28-jarige Zuid-Londenaar het gaspedaal nog eens volledig in; tijdens Without, 4422 - nog eentje van Drake - en Blood on me haalde hij de grove percussieve middelen boven - mét succes. Dat Sampha nog lang uit de schaduw mag blijven. Het leven van Mike Hadreas - de androgyne frontman van Perfume Genius - is Moonlight in het echt; het verhaal van een homoseksueel die geplaagd wordt door pesterijen en homofobie. Hadreas zocht zijn heil in drank en drugs, en schreef het leed van zich af in fragiele pianoballads, zie de vroege albums Learning (2010) en Put Your Back N 2 It (2012). Maar anno nu is Hadreas een ander mens, een man die zijn geaardheid openlijk omarmt én muzikaal helemaal opengebloeid is. Weg is de frêle, verlegen balladeer. Perfume Genius is een performer geworden, Sade of zelfs Prince achterna. Live heeft meneer Perfume Genius zich ontpopt tot een podiumbeest, bijwijlen zelfs een diva. Dat bleek ook in de Club van Pukkelpop, waar hij, geflankeerd door een elektronisch gestuurde backingband met ook zijn lief Alan Wyffels in de rangen, heviger dan ooit zijn falset in de strijd gooide en lustig over het podium kronkelde. En zo heeft Mike Hadreas die pesters en homofoben toch weer een flinke neus gezet. Toen Parquet Courts - of zoals wij ze graag noemen: Creedence Post-Punk Revival - uit de startblokken schoot in de Club regende het buiten pijpenstelen, aan het eind van hun set scheen de zon. Ideaal, voor een band die thuis is ergens tussen het natte, dampende asfalt van hun werkterrein New York en de droge woestenij van Texas, waar ze oorspronkelijk vandaan komen.'I didn't come here to dream or teach the world things', klonk het bij wijze van openingsstatement uit de mond van Austin Brown, een van de twee frontmannen die de taken verdelen bij het kwartet. Wat ze wél kwamen doen? Tonen dat ze sinds hun bejubeld debuut Light Up Gold (2012) meer zijn dan de cultband waar Parquet Courts vaak voor wordt versleten. De priemende blik van Browns evenknie Andrew Savage zei genoeg: we zijn niet om te lachen. Fendergitaren in de aanslag, vingers aan de trekker. In Stoned & Starving tonen ze zich erfgenamen van Britse punks als The Buzzcocks en The Undertones, One Man No City swingt op het nonchalante tempo van New Yorkse iconen als Talking Heads en The Velvet Underground, inclusief geblèr van een autoalarm. Blitzpunk met punch, rootsy moerasrock, ze kunnen het allebei, en zélfs tegelijk, zoals in Dust - 'it comes through the window / it comes through the floor'. Aanstekelijk. Bijgedachte: met Parquet Courts op dreef kregen we even heimwee naar The Shelter. Ook het publiek lustte de gitaarherrie wel, tijdens een prima set vol oude en nieuwe favorieten. Parquet Courts toonde op de eerste show van zijn Europese tournee z'n tanden, maar had wat ons betreft gerust nóg wat harder mogen bijten. 'Ik zeg niks omdat ik niet weet wat te zeggen', aldus Stefanie Mannaerts, schijnbaar onder de indruk van het grote, boze Pukkelpoppodium dat ze vrijdag met haar postpunkband Brutus voor geopend mocht verklaren. Niet slecht voor drie zelfverklaarde boerkes uit Leuven, nét terug van een doortocht op het prestigieuze Sziget-festival in Boedapest.De aanloop naar Pukkelpop was naar verluidt geen walk in the park: een uur voor stage time zou Mannaerts' stem haast op begeven hebben gestaan. Het verklaart waarom ze vrijdag niet alle hoge noten haalde, maar het goeie nieuws was: dat deerde niet eens. Want het was nog altijd indrukwekkend, hoe Stefanie Mannaerts zich een weg door de set mepte tot ze er letterlijk bij neerviel, met de kop op de drumvellen. Ook de geluidsmuur die gitarist Stijn Vanhoegaerden en bassist Peter Mulders boetseerden, was ziedend. Van punk en indie ging het richting math-metal en weer terug, en toch werd de melodie nooit uit het oog verloren. Case in point: opener Math, single All Along en vooral de valse trage Dancing on the face of a panther.'Een eerste shot adrenaline', noemde omroeper Luc Janssen het drietal vooraf. En dat was het, zélfs al was dit geen Brutus in allerbeste doen.