Hendrik Willemyns: Ken je de eindscène van 2001: A Space Odyssey, waarin het hoofdpersonage in een barokke kamer arriveert en zich afvraagt: 'Waar bén ik?' Zo heb ik hier dus ook gelegen, in de sofa van het oude herenhuis in centrum Antwerpen dat ik sinds enige tijd als bureau gebruik - de ruimte líjkt zelfs op die van A Space Odyssey, nu ik het zo zie.
...

Hendrik Willemyns: Ken je de eindscène van 2001: A Space Odyssey, waarin het hoofdpersonage in een barokke kamer arriveert en zich afvraagt: 'Waar bén ik?' Zo heb ik hier dus ook gelegen, in de sofa van het oude herenhuis in centrum Antwerpen dat ik sinds enige tijd als bureau gebruik - de ruimte líjkt zelfs op die van A Space Odyssey, nu ik het zo zie. Een jaar, anderhalf jaar heb ik hier liggen tobben. Nadat ik met Arsenal het album Furu en de bijbehorende film Dance! Dance! Dance! had gemaakt, allebei in 2014, wist ik het even niet meer. Na vijftien jaar kregen we het gevoel dat we alles gedaan hadden. Ik vind Furu nog altijd een goeie plaat - single Temul (Lie Low) is een van mijn favoriete Arsenalnummers ooit - maar je voelt er wel aan dat we in formules aan het vervallen waren. We begonnen dingen te doen die we al eerder gedaan hadden, 'want dat werkte toen ook'. We pikten al eens een bridgeke van iemand anders. En nadien beseften we: als we zo doorgaan, wordt de volgende plaat écht shitty. Dus zei ik tegen mijn Arsenal-kompaan John Roan: 'Misschien houden we er maar beter mee op.' Hij begreep dat, en we zijn een tijdje elk onze eigen weg gegaan. John opende een surfwinkel in Antwerpen, ik wilde graag nog een film maken, een film over muziek. Ik vertrok vanuit het idee dat muziek een klinisch medium geworden is, wat in mijn ogen ook echt zo is. Muziek heeft aan impact verloren, de originaliteit is zoek. Én de diversiteit, want al wat overblijft, is een elite - de Ed Sheerans, Drakes en Taylor Swifts van deze wereld - en een 'arme' onderlaag, waar die elite naar hartenlust toffe ideetjes van pikt dan wel koopt. Een middenklasse is er niet meer. Vroeger had je hardcorelabels als Dischord, met groepen die elk hun eigen sound, stijl en taal hadden, en new-wavebands als The Sisters of Mercy en Joy Divison, die hoewel ze tot dezelfde stroming behoorden tóch heel verschillend waren. Nu lijkt het of er alleen nog maar gekopieerd, geformatteerd wordt. Alles is structuur geworden - ook bij ons dus - en alles begint op elkaar te lijken. The War on Drugs klinkt als een combinatie van Bruce Springsteen en Bob Dylan, en er is niemand die dat erg vindt. Hoe overleef je, vooral als jonge band? Door je te prostitueren, vrees ik! Echt waar, zo zie ik de toekomst van de muziek: muzikanten die zich als prostituees gaan gedragen en dingen zullen doen die wij in onze tijd nooit hadden willen doen. Je ziet het nu al gebeuren, hè. Artiesten die hun muziek aan commercials geven: vroeger was dat vaak not done, nu is het zelfs een soort ereteken geworden. Of bands die in programma's als De wereld draait door gaan zitten en hun songs daar tot knipsels van één minuut laten herleiden. Sorry, hoor, maar dat vind ik dus een vorm van prostitutie. Als deze of gene chique school je kind alleen toelaat op voorwaarde dat zijn of haar been eraf gehakt wordt, ga je dat toch ook niet doen? (lacht)Enfin, ik ben die mateloos interessante link tussen muziek en prostitutie verder gaan onderzoeken, om dan te ontdekken dat er vroeger al Aziatische prostituees waren die opgeleid werden om muziek te spelen en gedichten voor te dragen. De muzikant als prostituee is dus niet alleen een beeld van de toekomst, het is ook een beeld van het verleden! Met een half idee voor een film - van Arsenal was op dat moment nog steeds geen sprake - ben ik naar China getrokken, op zoek naar inspiratie. Willemyns: 'What the fuck is dit?' dacht ik toen ik bij het googelen op Chongqing stootte, een stad in het zuidwesten van China die op een eilandje te midden van een rivier lijkt te liggen. Dát is waar ik moet zijn. Chongqing is een van de snelst groeiende steden ter wereld, en een echte money capital. Twee weken heb ik er verbleven, en hoewel er in heel Chongqing zo'n dertig miljoen mensen wonen, hebben ze er welgeteld één muziekclub: Nuts, een zaaltje zo groot als de Charlatan in Gent. Toen ik er was, speelde er een Chinese folkmuzikante. Er was vijf man in de zaal. Nobody cares, zo leek het, muziek is hier niet belangrijk. Tot ik Helen Feng van Nova Heart ontmoette, een Chinese band die ook in Europa bescheiden succes heeft gekend. 'Voor een muziekcircuit zoals jullie dat kennen, zijn ze in China nog niet klaar', zei ze. 'Wie in de muziek wil, vormt ofwel een girl- of boyband, of trekt naar de karaokebars. En dat is waar de prostitutie begint.' En inderdaad: ik ben een bar gaan bezoeken waar ze aan 'businesskaraoke' doen: meisjes dienden zich daar aan, en wie geschikt bevonden werd, mocht gaan zingen met de zatte zakenmannen. En van het een komt niet zelden het ander. Uiteindelijk heb ik mijn film, Birdsong, in Japan gedraaid, omdat het in China moeilijk bleek de juiste acteurs te vinden - er is daar niet zoiets als een arthousecircuit - en ik in Tokio mijn weg ken en weet met wie ik kan werken. Ik had er tenslotte Dance! Dance! Dance! al gedraaid. Maar het idee - een jonge Aziatische muzikante komt via een The Voice-achtig tv-programma in een web van prostitutie terecht en put daar inspiratie uit voor haar muziek - is wel in China ontstaan. Ook mijn poëzieboek dat dit najaar uitkomt, gaat over dat spanningsveld tussen prostitutie en muziek. Daarvoor heb ik hoofdzakelijk muzikanten - zoals wijlen Grant Hart van Hüsker Dü, hiphopper Mike Ladd en Johnny Whitney van posthardcoreband The Blood Brothers - gevraagd een gedicht te schrijven. Telkens vanuit het standpunt van een prostituee. En de nieuwe Arsenalplaat? Die begon tijdens mijn reis door China plots ook vorm te krijgen, of toch in mijn hoofd. Ik heb héél veel gewandeld in Chongqing, terwijl ik naar muziek luisterde. Op mijn iPod stond elektronische stuff als M83, muziek waarvan ik dacht dat ze goed bij die stad zou passen. Maar vreemd genoeg waren het de oergeluiden van een Afrikaanse pygmeeënstam, de Bayaka, die me écht omver hebben geblazen. Die had ik op mijn iPod gezet na het zien van de docu Songs from the Forest (2013), met die Bayaka op de soundtrack. Mán, wat klonk dat goed. Het contrast met het waanzinnige stadscomplex Chongqing kon niet groter, maar het werkte wonderwel. 'Fuck de computer, fuck al dat geformatteer, fuck die oude Arsenal-werkwijze met beats en four-to-the-floorpatronen', dacht ik toen ik thuiskwam van China. 'Als we Arsenal ooit nog willen redden, moeten we naar Afrika!' Willemyns: Eind november 2016 zijn John en ik dan naar Lagos getrokken. Niet voor het eerst: we waren er al eens geweest ten tijde van Paper Trails (2010), het Canvasprogramma waarvoor we literaire klassiekers achternareisden. Toen kregen we op een bepaald moment een pistool tegen onze kop, omdat we zonder toestemming sfeerbeelden van bananen verkopende meisjes langs de weg aan het maken waren. Tot zulke toestanden is het nu niet gekomen. Je moet er wel een béétje oppassen, maar ik vind Nigeria lang niet meer zo gevaarlijk als weleens beweerd wordt. Los daarvan was het wel een risico om naar daar te gaan. We investeerden immers veel tijd en geld in dat avontuur, en trokken de studio in met iemand die we van haar noch pluim kenden: Edaoto Agbeniyi, een al wat oudere muzikant die me was aangedragen door een bevriende Nigeriaanse dichteres, Jumoke Verissimo. Edaoto heeft de afrobeatgeschiedenis door zijn aderen stromen. Toen hij al op dag één een heuse drum circle deed ontstaan, met vijftien Nigerianen die drie complexe ritmes door elkaar speelden, wisten we: he's the right guy for the job. Tien dagen lang verbleven we met hem en de vele andere muzikanten en percussionisten die hij had opgetrommeld in de Afrodisia Studios - waar afrobeatlegende Fela Kuti nog gezeten heeft, ja, maar in welke studio in Lagos met een beetje geschiedenis heeft die níét vertoefd? - en we zijn teruggekomen met een plaat zoals we er nog nooit één gemaakt hebben: nauwelijks of geen computers of clicktracks, wel jungleritmes, dierengeluiden en zingende Babalawo-priesters. Het klinkt bangelijk, het klinkt écht. En zo zijn we in Nigeria uit die dode structuur kunnen breken die Arsenal geworden was. De passie die we zo lang kwijt waren, was in één klap terug. Eenmaal terug thuis hebben we In the Rush of Shaking Shoulders verder afgewerkt, eerst in Groot-Brittannië, dan in België. De Brit Tim Bruzon van Wave Machines, die ook al meedeed op Furu en met wie ik echt een enorme klik heb, heeft zowat de hele plaat ingezongen en speelt verder gitaar, keyboard en percussie - een echt Zwitsers mes, die gast. Hij maakt voortaan ook deel uit van de liveband en is daarmee de eerste 'gastzanger' die vast bij de groep zit. Met zangeressen Paulien Mathues en Judith Okon en drummer-percussionist David Donnat is er nog meer vers bloed bij gekomen. Op het podium is niet langer mijn computer baas, maar de band. We heten dan wel nog steeds Arsenal, naar mijn gevoel zijn we een andere groep geworden. Een échte groep. Met dank aan de Bayaka in Chongqing.