Halfweg de jaren zeventig had Dylan genoeg van het sedentaire leven waartoe vrouw en kind hem hadden veroordeeld. Het is dan ook geen wonder dat hij in die tijd vatbaar werd voor de romantiek van rondtrekkende circusgezelschappen, die eerst opdoken op de hoes van The Basement Tapes (opgenomen '67, maar in 1975 verschenen) en vervolgens in de opzet van een nieuwe tournee die hem datzelfde jaar in een aantal voor zijn doen kleine Amerikaanse zalen bracht. The Rolling Thunder Revue moest een mix van rock-'n-roll en commedia dell'arte worden.

Dylan had als ringmeester (en buschauffeur) een uitgelezen schare freaks om zich heen verzameld. Allen Ginsberg, de dichter die een rocker wou zijn, was erbij, net als Bobs oude vlam Joan Baez, Roger McGuinn - hoofdvogel van The Byrds -, Ramblin' Jack Elliot en een groep waarin zowel de jonge T Bone Burnett als de van David Bowie overgekomen meestergitarist Mick Ronson figureerde. Gaandeweg vielen leden af en kwamen er andere bij, al dan voor één keer. Een bont gezelschap, kortom, met in het hart een ijzersterke band en een Bob die weer de vorm van de grote dagen te pakken had.

De kwaliteit van The Rolling Thunder Revue was al te horen op volume 5 van The Bootleg Series. Voor gulzige mensen is er sinds vorige week een veertiendelige boxset. Het verhaal wordt dan weer uitgelegd in Rolling Thunder Revue: A Bob Dylan Story by Martin Scorsese, dat eruitziet als een klassieke rockumentary: veel concertbeelden, backstagefragmenten en recente interviews met enkele hoofdrolspelers die bezadigd terugkijken op de gekte van weleer. Maar niets is wat het lijkt.

Gefopt

'Alles in New Orleans is een goed idee!' beweerde Bob in zijn bejubelde memoires Chronicles: Volume One (2004). De zin bleek achteraf samen met nog een hoop andere rechtstreeks uit een toeristische gids gelift. Het hoofdstuk waaruit ze kwam - over de tijd dat hij in New Orleans (God hebbe Dr. Johns ziel) zijn plaat Oh Mercy (1989) opnam - werd na diepgaand onderzoek weggezet als een (uitstekend) kortverhaal. Die hele Chronicles was een halve hoax.

In Rolling Thunder Revue: A Bob Dylan Story by Martin Scorsese is iets gelijkaardigs gaande. De beelden zijn officieel van Stefan Van Dorp, een Nederlandse filmmaker die dankzij zijn werk voor Shocking Blue in het wereldje gerold was. Van Dorp komt uitgebreid aan het woord, geeft duiding, noemt Rolling Stone-journalist Larry 'Ratso' Sloman 'a little piece of shit' en spreekt zijn dedain uit voor de entourage die rond Dylan hangt als een zwerm stonede vliegen rond een spacecake. Bob van zijn kant - de oude Bob, die in de interviewfragmenten aan het woord komt - zegt dat Van Dorp paranoïde was, vijanden zag waar er geen waren en veel te veel at: 'Hij at drie maaltijden in plaats van één. Dat dat eten meestal voor iemand anders bestemd was, zette kwaad bloed.'

Zoals wel vaker het geval is bij Dylan, kun je alleen zeker zijn dat hij de waarheid spreekt als hij zingt.

Alleen: Van Dorp bestaat niet. De man die hem speelt, heet Martin von Haselberg en is een voormalige performanceartiest die al sinds 1984 met Bette Midler getrouwd is. Degene die echt verantwoordelijk was voor de beelden, was Dylan zelf: toen de repetities voor The Rolling Thunder Revue van start gingen, huurde hij een professionele filmploeg in, die naast concerten en backstageopnames ook dramatische scènes moest inblikken voor Renaldo & Clara, een experimentele film die in 1978 bij verschijning unaniem werd neergesabeld door de kritiek.

Als Dylan zélf de filmmaker is, zijn de woorden van Van Dorp dan ook zijn woorden? Als acteur Michael Murphy wordt opgevoerd als politicus Jack Tanner (een rol die hij ook voor Robert Altman speelde in de miniserie Tanner '88), wat moeten we dan maken van de getuigenis van Sharon Stone, die als jong meisje met The Rolling Thunder Revue op pad zou zijn geweest? En heeft Dylan het idee voor de whiteface onder zijn met bloemen getooide hoed echt van Kiss gepikt?

Als niemand anders

Zoals wel vaker het geval is bij Dylan, kun je alleen zeker zijn dat hij de waarheid spreekt als hij zingt. A Hard Rain's Gonna Fall, The Lonesome Death of Hattie Carrol en het dan nog niet op plaat verschenen Hurricane tonen dat de protestzanger in Dylan halfweg de jaren 70 weer even kwam piepen. Belangrijker nog voor de oren is de manier waarop hij ze brengt: afgebeten en kwaad, met woorden die vanuit de buik vertrekken en onderweg naar het strottenhoofd alle venijn opzuigen die hij in zijn lijf heeft zitten.

Achter zijn rug duelleren Mick Ronson en violiste Scarlet Rivera zonder elkaar aan te kijken. De sound die ze produceren zorgt ervoor dat hun baas voor het eerst sinds medio jaren zestig klinkt zoals hij hoort te klinken: als niemand anders. Dat je het hem allemaal ook zíét doen, nu eens vanachter een masker en dan weer witgeschilderd onder die hoed met bloemen, is voor de fans en iedereen die in deze postironische tijden een mespunt waarachtigheid zoekt, een godsgeschenk. Een kleine top vijf:

  • The Lonesome Death of Hattie Carrol: het waargebeurde verhaal van Hattie Carrol is een onmisbare reminder dat je zestig jaar geleden in the land of free als rijke witte nog een arme zwarte kon doodkloppen voor de spotprijs van zes maanden cel. Vulde het verhaal Dylan zelf in '63 nog met een mix van afgrijzen, verdriet en woede, dan bleef in '75 alleen de woede over. Joan Baez zegt in de film: 'Het is nog altijd één van je beste.' Joan heeft gelijk.
  • Vijftien psychedelische seconden Eight Miles High. Voor Mick Ronson, die van de glam van Ziggy Stardust naar de americana van Dylan verkaste en zijn sound gewoon meenam. Mick geeft geen krimp.
  • Coyote: Joni Mitchell speelt haar dan nog onuitgebrachte klassieker tijdens een feestje ten huize Gordon Lightfoot. Roger McGuinn en Bob proberen te volgen op gitaar.
  • The Ballad of Ira Hayes: op een bijeenkomst van native Americans. De indiaan Hayes was Sam Stone met een kleurtje: een van de zes mannen die in '45 de vlag op Iwo Jima plantten en bij thuiskomst de gruwel in drank probeerden te smoren. De song is van Peter La Farge, ook Johnny Cash heeft hem gezongen.
  • Hurricane. Al had het ook Mr. Tambourine Man kunnen zijn, of één van de andere oude songs die hij hier herneemt: zonder respect voor de vorm van het origineel, maar vol overtuiging over de inhoud.

Wraak

Op een dag keek Dylan de piepjonge Sharon Stone met zijn meest zwoele blik aan en zei: 'Ik heb een nummer voor je geschreven.' Hij zette Just Like a Woman in en de actrice vertelt veertig jaar later dat ze bij de woorden 'But she breaks just like a little girl' in tranen uitbarstte. 'T Bone Burnett vertelde me achteraf dat dat nummer al tien jaar oud was. Wist ik veel!' Geweldige anekdote, en ze wordt nog beter als ze misschien niet waar blijkt te zijn.

Hetzelfde kan gezegd worden van Rolling Thunder Revue: A Bob Dylan Story by Martin Scorsese. Geen idee hoe groot de inbreng van Scorsese was in een film die voor 75 procent uit beelden bestaat die halfweg de jaren 70 door iemand anders gedraaid werden. Maar de geflopte filmmaker Bob Dylan neemt veertig jaar na Renaldo & Clara op weergaloze wijze wraak.

Is de film als tijdsdocument door die hele hoax op zijn minst met een korrel zout te nemen, als Dylan-document is hij perfect. Het is namelijk een spiegelpaleis zoals alleen hij dat kon ontwerpen.

Rolling Thunder Revue: A Bob Dylan Story by Martin Scorsese

Nu op Netflix

Dit artikel stelde oorspronkelijk dat de boxset rond The Rolling Thunder Revue vijf delen telt. Dat zijn er veertien. Onze excuses.