Ooit liet Graham Coxon, gitarist van Blur, het volgende optekenen in Knack Focus: 'In mijn hoofd bestaat er een groot onderscheid tussen zogenaamde folkmuziek en gewone akoestische gitaarmuziek'. Het ging over zijn in 2009 verschenen album The Spinning Top, waarvoor Coxon inspiratie had getankt bij Britse singer-songwriters als Nick Drake, Bert Jansch, en ene John Martyn.
...

Ooit liet Graham Coxon, gitarist van Blur, het volgende optekenen in Knack Focus: 'In mijn hoofd bestaat er een groot onderscheid tussen zogenaamde folkmuziek en gewone akoestische gitaarmuziek'. Het ging over zijn in 2009 verschenen album The Spinning Top, waarvoor Coxon inspiratie had getankt bij Britse singer-songwriters als Nick Drake, Bert Jansch, en ene John Martyn. Folkies, werden ze genoemd, maar zoals Coxon terecht opmerkt hadden die heren eigenlijk weinig vandoen met historische volksdeuntjes en traditionele liedjesverzen. Vooral John Martyn (geboren als Iain David McGeachy, zijn moeder was van Belgisch-Joodse komaf) ontwikkelde zich in de loop van vijf decennia en in totaal 23 langspeeltitels vanuit de buik van de Britse folkrevival eind jaren '60 gaandeweg tot een beeldenstormer met een uniek, onevenaarbaar geluid. Met zijn experimentele gitaartechnieken en fusion van folk, jazz, rhythm-and-blues, en zelfs dub inspireerde en beïnvloedde hij niet alleen Graham Coxon, maar ook Paul Weller, Portishead, Laura Marling, Eric Clapton, Beth Orton, Ben Howard, Ryley Walker, Beck, The Edge van U2, en, euhm, Phil Collins. En misschien ook u, na deze stoomcursus doorheen 's mans discografie.Op ranker.com, een lijstjeswebsite waar de bezoekers zelf de rangschikking bepalen, prijkt Solid Air bovenaan de beste albums van John Martyn. Publieksfavoriet, en bijgevolg ook meest geschikt als portaal naar zijn hele catalogus. 'A classic with not a note out of place', volgens de BBC. Het was z'n zesde in totaal, zijn vierde als soloartiest (daarover later meer), en het album waarop hij de ketens van de akoestische folkscene definitief afwerpt. 'Ik vond de hele beweging me te beperkend', zei hij daarover destijds in een interview met NME. 'It tends to run up its own ass a lot'.Oh ja: John Martyn maakte dan wel zalvende, zachte, soms lieftallig in het gehoor liggende muziek, hij was ook een notoir drankorgel en had een grote bek. Geïnspireerd door de freejazz van John Coltrane en consoorten zocht hij steeds vrijere, lossere structuren op in zijn songs, en het beïnvloedde ook zijn zang. Hoor hoe hij in de titeltrack laveert tussen de dwarrelende noten, en zijn stemgeluid gebruikt als instrument. Ze zijn er nog, de folkarrangementen en bluesinvloeden, zoals in het wiegeliedje May You Never (later gecoverd door Eric Clapton) en het rauwe The Easy Blues. Maar onderhuids broeit er telkens een hypnotiserend, ongrijpbaar iets. Een energie die onstuimig losbarst in tracks als Dreams By The Sea en I'd Rather Be The Devil, waarin Martyn zijn elektrische gitaar door allerlei pedalen en effecten laat grauwen en gieren. Toch is Solid Air al decennialang een geijkte chill out-klassieker, geprezen om z'n warm, rustgevend klankpalet. 'Het equivalent van een geruststellende knuffel', volgens muziekblad Q, die vonden dat John Martyn het onmogelijke had bereikt: 'He made a quiveringly sexy folk record'.John Martyn was pas negentien toen hij een contract tekende bij het platenlabel Island Records. Hij was één van de eerste blanke artiesten bij Island, dat zich tot dan toe vooral toelegde op de ska- en reggaegeluiden uit Jamaica. Labelbaas Chris Blackwell, een Brit, was ook degene die Bob Marley bekend maakte in de westerse wereld. De eerste twee albums van John Martyn, London Conversation (1967) en The Tumbler (1968), speelden zich nog redelijk braaf binnen de perimeters van de opflakkerende folkrockscene af. Maar in 1969 leert John zangeres Beverly Kutner kennen, met wie hij naast een romantische ook een muzikale verhouding aanknoopt, als John & Beverly Martyn. Road To Ruin, hun tweede, gezamenlijke album, vormt een sleutelmoment in Martyns discografie. In songs als Primrose Hill (in 2004 gesampled door Fatboy Slim), Parcels, en Auntie Aviator hoor je subtiel de jazz en psychedelica binnensijpelen die zich later prominent op de voorgrond manifesteerden. Producer Joe Boyd creëerde een rijkere, vollere klank dan Martyn gewend was, en vooral: hij leerde contrabassist en toekomstig compagnon de route Danny Thompson kennen. 'De enige muzikant die me echt kan volgen', zoals het later in NME klonk. De twee albums van John & Beverly Martyn zijn cultklassiekers maar brachten destijds weinig teweeg. Island vond het dus een beter idee dat John zijn pad als soloartiest verderzette. Het werd alles of niets: hij kreeg zesduizend pond en carte blanche om zich te bewijzen. Wat volgde was Bless The Weather (1971), een voorsmaakje op Solid Air. Eind 1975 voelde John Martyn zich leeg en gefrustreerd. Niet alleen was z'n goede vriend Nick Drake overleden, maar ook zijn drinkebroer Paul Kossoff, de gitarist van Free die hem vergezelde op tour. Hij had een hekel aan de pers, aan de industrie, 'de scene', en was klaar om de handdoek in de ring te werpen. Maar een vakantie in Jamaica bracht Martyn uiteindelijk op andere ideeën. In Jamaica, waar de familie Martyn verbleef bij z'n labelbaas Chris Blackwell, leerde hij onder meer producer en dubpionier Lee 'Scratch' Perry kennen, en de twee vonden elkaar in hun interesse om nieuwe geluidswerelden exploreren. Het klikte tussen de songsmid en de dubprofessor, en dat hoor je aan One World. Terug in Engeland trok Martyn zich met een kliek muzikale klasbakken terug op de boerderij van Blackwell, te midden van een uitgestrekt meer. Alle opnames gebeurden in openlucht, net voor de ochtendschemering, wat een unieke, organische atmosfeer creëerde, zwanger van de echo waar de zanger ook op vorige albums al mee experimenteerde. En dan waren er de drumcomputers die Martyn steeds prominenter ging gebruiken, een extra dimensie in de onwereldse, kwikzilveren melange van folkrock, fusion jazz, en dub. Het album wordt vandaag door velen gezien als een voorloper op de Britse triphopsound van begin jaren '90. 'You can really tell we were somewhere else when we made it', aldus de man zelf. En een betere samenvatting kunnen we niet bedenken.Dertien jaar carrière, een nieuw decennium, een gebroken ziel. John Martyn was altijd een getroebleerde troubadour geweest, een vat vol tegenstrijdigheden en bikkelende demonen. Een fijngevoelig songschrijver, maar ook een zware drinker en druggebruiker, met een opvliegend karakter, en foute vrienden in het misdaadmilieu. Eind jaren '70 werd de tol voor zijn huwelijk te zwaar en hield Beverly Martyn het voor bekeken.Grace & Danger is het pijnlijk openhartig verslag van die breuk. Labelbaas Chris Blackwell wilde, als goede vriend van het koppel, de plaat initieel zelfs niet uitbrengen. Hij vond ze te donker, té depressief. 'Sommige mensen houden een dagboek bij, ik maak platen', zou Martyn zelf zeggen over de laatste, krachtige stuiptrekking in zijn discografie. 'Martyn wrings ever ounce of emotion out of his voice to produce a poignant and cathartic masterpiece', schrijft Medium over het album. Die emotionele rauwheid staat in schril contrast met de glossy productie, en het jazzy, afgeborstelde spel van de muzikanten (met niemand minder dan Phil Collins op drums) dat in latere jaren steeds meer zou overheersen. John Martyn zal blijven platen maken tot aan zijn dood op zestigjarige leeftijd in 2009, maar Grace & Danger is de laatste die niet in een lijstje mag ontbreken. Openingstrack Some People Are Crazy inspireert in 2008 de titel van een biografie. 'Nuff said.Ondanks zijn wispelturige persoonlijkheid stond John Martyn bekend als een bezield gitarist, uitstekende zanger ('like Tom Waits drunk on silk', schreef een journalist ooit over z'n stemgeluid), en begenadigd liveperformer. Een staaltje daarvan staat op Live At Leeds uit 1970. Luister naar de twaalf minuten uitgesponnen versie van Outside In (uit het album Inside Out, 1973), en hoor hoezeer hij buiten alle tijd en genres opereerde. Fans van Pink Floyd zullen hun hart ophalen.Martyn was ook regelmatig te gast in het legendarische liveprogramma The Old Grey Whistle Test. Enkele van die performances staan op de puike compilatie In Session At The BBC, maar nog beter is de bewuste passages opsnorren via YouTube. 1973 en 1977 zijn de jaren met de meeste glans.