Veel vertrouwde namen op de zevende dag van Gent Jazz. Zo trad Tristan, de groep rond zangeres Isolde Van den Bulcke, hier vorig jaar aan op de Garden Stage, maar mocht ze nu de spits afbijten op het hoofdpodium. In dat voorbij jaar bracht Van den Bulcke twee ep's uit, en het was met de opvallende opener Frank, uit de eerste ep Illusje, dat ze meteen de aandacht naar zich toe zoog.
...

Veel vertrouwde namen op de zevende dag van Gent Jazz. Zo trad Tristan, de groep rond zangeres Isolde Van den Bulcke, hier vorig jaar aan op de Garden Stage, maar mocht ze nu de spits afbijten op het hoofdpodium. In dat voorbij jaar bracht Van den Bulcke twee ep's uit, en het was met de opvallende opener Frank, uit de eerste ep Illusje, dat ze meteen de aandacht naar zich toe zoog. Alsof ze de tent letterlijk deed ontwaken, zo zong de Gentse met laag vervormde, geeuwende mannenstem haar eerste noten, een fel contrast met haar frêle verschijning. De toon was gezet. Want Tristan koppelt experiment aan theatraliteit, donkerte aan fragiliteit, jazzy arrangementen aan synthetische ambientpop met eightiesinvloeden. Niet de meest hapklare brok voor bij de zondagse lunch of brunch, zoals de zangeres zelf met pretoogjes opmerkte. Vorig jaar stond ze er nog een beetje onwennig bij, maar de vele clubshows die ze sindsdien speelde hebben progressie opgeleverd. Bij de echoënde, bombastische drums die Weslanda openden, gingen haar opgestoken haren los en stond er plots een vamp op het podium. 'Wij zijn Tristan', zei ze wel, maar het is toch vooral Van den Bulcke zelf die centraal staat. Niks op tegen, ook excentrieke vogeltjes mogen zingen zoals ze gebekt zijn, maar af en toe wensten we toch dat de muzikanten wat meer vrijheid kregen, en de muziek zo de kans kreeg om ietsje meer te ademen. Dat gebeurde pas op het einde, tijdens de opzwepende finale van Oslo, toen Isolde een moment in de coulissen verdween en van daar haar drie muzikanten gadesloeg. Daarna stonden ze met zijn vieren netjes op een rij voor een diepe buiging, en toen ging het meteen richting Antwerpen, waar Tristan later op de dag in het OLT Rivierenhof mocht openen voor The Cinematic Orchestra. Van den Bulcke en co. behoren tot de flinke lading Gentse artiesten die dit jaar op de affiche van Gent Jazz staan, zoals Stuff, Steiger, MDC III, Paard, Tiny Legs Tim en The Antler King. Vandaag kwamen daar nog eens drie namen bij die de organisatie opviste bij de buren van het Conservatorium. Suura, een kwartet rond gitarist Nicolas Van Belle, viel daarbij het meeste op. Geflankeerd door contrabas en twee saxofoons dompelde hij de Garden Stage onder in etherische herfstsferen. Van Belle bracht een jaar in Denemarken door, en liet zich daar inspireren door de Scandinavische folk- en jazzscene. Het eens subtiel geschakeerde, dan weer weidse geluid dat het kwartet voortbrengt doet denken aan de minimalistische releases op het legendarische, Duitse jazzlabel ECM Records, en af en toe aan die andere, tussen jazz en filmische soundscapes laverende vijflettergroep die we hier twee jaar geleden aan het werk zagen: Hoera, het trio rond de broers Stijn en Bert Cools. Maar Suura, dus: onthouden die naam.Ook Londen was dit jaar al eerder vertegenwoordigd, met James Holden en Moses Boyd Exodus. Die laatste vormt ook een duo, Binker & Moses, met saxofonist Binker Golding, en die stond gisteren op het hoofdpodium met Maisha. Gitariste Shirley Tetteh was over het kanaal achtergebleven, maar de overige vijf leden van dit jonge combo kenden geen moeite om ons te bekoren met hun grootstedelijke, onvermoeibaar swingende variant op spirituele afrojazz. Hun vorig jaar op het label van Gilles Peterson verschenen langspeler There Is A Place werd in het thuisland bedolven onder de sterren, en ook de harten van het Belgische publiek hebben ze veroverd. Aangevoerd door drummer en bandleider Jake Long - die in zijn solo bewees dat je niet hoeft te slaan en meppen om uit te blinken - legde de band het tempo hoog en variërend, op het ritme van een hectische wereldkeuken tijdens het avondlijke piekuur. Toetsenist Al Macsween zorgde met zijn Rhodesorgel voor warmte en soul, Golding blies zich regelmatig de longen uit het lijf, en aan de contrabas zorgde Tomos Dylan voor een expressionistisch intermezzo dat de in duisternis gehulde tent even muisstil kreeg - als we hierbij een referentie mogen droppen: Henri Texier, ooit één van de vaste compagnons van trompettist Don Cherry. Op en voor het podium regeerde de glimlach, en de ijsjeskar op het terrein deed plots gouden zaken. Mission accomplished voor Maisha! En dan terug naar de vertrouwde namen. Zowel José James als Gregory Porter kwamen eerder aan de bak op Gent Jazz. Porter in 2015, James een jaartje eerder. Beide heren zijn thuis op het befaamde Blue Note-label, en beiden behoren ze tot een nieuwe generatie zangers die jazz de 21ste eeuw inloodsen. Maar daar houden de vergelijkingen echt wel op. José James, uit Minneapolis, trekt tegenwoordig de hort op met Lean On Me, het vorig jaar verschenen album waarop de 41-jarige zanger hommage brengt aan de songs van Bill Withers, de soullegende die het midden jaren '80 voor bekeken hield in de muziek. Ain't No Sunshine is één van zijn grootste hits en mocht de set openen. Al bij de intro - die door een haperende microfoon in het water viel - was het eerste o(o)rgasme achter ons een feit. 'Ik ben meteen verliefd!' klonk het. En dan: 'Dat is toch een nummer van Marvin Gaye, hè?' Bill Withers dus, die ook Who Is He (And What Is He To You) en Use Me pende, nummers twee en drie op de setlist. Toch een beetje vreemd, om op dit niveau zo opzichtig te scoren met andermans liedjesvrucht. Bovendien stond James erbij alsof iemand een beweeglijke collage had bedacht met de garderobe van Lenny Kravitz, de fysieke tics van Jamiroquai, de erfenis van Prince en het charisma van D'Angelo. Een bekoorlijke stem heeft hij wel van zichzelf - in de laagste registers komt James in de buurt van Gil Scott Heron, van wie hij op een bepaald moment, tijdens een geïmproviseerde rap een fragment uit Winter In America ging lenen. We tekenden ook een flard, door bassiste Aneesa Strings gezongen If You Want Me To Stay van Sly & The Family Stone op, Fire van Jimi Hendrix, en een fragment uit What You Won't Do For Love van Bobby Caldwell. Op de Gentse Feesten zou een blitse, en - toegegeven - technisch onderlegde coverband als deze niet uit de toon vallen, maar op Gent Jazz ligt onze lat toch ietsje hoger. Afgesloten werd er met twee Bill Withers-klassiekers, Just The Two Of Us en het voorspelbare Lovely Day. 'Ik kwam daarstraks in het hotel Gregory Porter tegen in de lift', beweerde James. 'Wat mogen jullie motherfuckers van geluk spreken dat jullie mij en hem op hetzelfde podium zien vanavond.' Een ander zijn hits recycleren en dan nog een beetje arrogant wezen ook! Crowdpleasers heb je in alle maten en gewichten, maar José James kon wat ons betreft niet snel genoeg zijn slangenleren jasje aantrekken, die hotelsuite opnieuw opzoeken, en plaats ruimen voor Gregory Porter. Want ook de voormalige keukenchef is een volbloed publiekslieveling, maar dan eentje met een heel andere trukendoos. Nul kapsones, om maar iets te zeggen, en een zachtmoedige bariton waarmee hij het met zijn door gospel en blues bestoven, vlot verteerbare jazzvariant tot op vele babyborrels en brunches schopte. Ideale kost voor een zondagnamiddag, dus.Brown Grass en Water Under Bridges, beiden uit zijn succesalbum Liquid Spirit (2013), bijvoorbeeld. Zacht weg kabbelende songs met het elan van de oude standards. Elegant. Stijlvol. Tikkeltje stroperig? Jawel, maar dan van de mooiste meligheid, en gesteund door een geroutineerde band die op geen enkel moment ook maar het kleinste steekje liet vallen. Toen de bassist opzichtig op het herkenningsapplaus ging mikken, door een medley van klassieke riffs te spelen (u pikte er onder meer Stevie Wonder en Deep Purple uit), vreesden we even opnieuw voor een rondje braderietoestanden, maar de versie van Papa Was A Rolling Stone die eruit voortvloeide mocht er zijn. Vooral omdat Porter de vijf verschillende stemtimbres van die gouwe ouwe Temptations de baas bleek te kunnen.Het grootste gejuich werd uiteraard bewaard voor Liquid Spirit zelf, de opzwepende, hedendaagse gospelhymne waarmee hij, mede geholpen door een rits remixes, zes jaar geleden bij een breed publiek doorbrak. Ja, Gregory Porter teerde in zijn setlist nog steeds voornamelijk op dat gelijknamige album, maar met een potige versie van Musical Genocide, die passioneel de tent in rolde, mag u ons altijd lastigvallen. En dat vond de voltallige tent blijkbaar ook, want tot tweemaal toe werd presentator Mark Lefever opnieuw naar de coulissen verbannen door Porter en zijn band, die van geen ophouden wilden weten. Eerder op de avond had José James Gent Jazz nog 'het beste fucking jazzfestival van de planeet' genoemd. Dat is al te veel eer, maar zelf een onverbiddelijke criticaster kan niet ontkennen dat het ferm klikte tussen Gregory Porter en de zondagse Bijlokebezoekers. Iedereen blij.