A photo posted by delcourt (@bondjosi) on

Eerst de conclusie dan maar: ik trad het Ijslandse driespan tegemoet als lid van die laatste demografische groep, en zo wuifde ik hen ook uit. Sigur Rós, zoveel mag geweten zijn, creëert muziek waarop de meeste adjectieven die men in de toeristische gidsen voor het vulkanische thuisland veil heeft van toepassing zijn. Er ligt een uniek, maar na dik twintig jaar ook wat stereoptiep patina op hun eigengereide combine van majestueuze postrock, glaciaal minimalisme en episch neo-klassiek. Met andere woorden: de verrassing is gesleten en dat liet zich voelen ter hoogte van The Last Arena, het grootste podium van Dour.

Geweerschoten

Het trio maakte het de toeschouwers om te beginnen al behoorlijk lastig door openers Óveður en Starálfur vanachter een zwart gaasscherm te spelen. Even verwarring: neen, dit was niet langer de soundcheck. Over dat fijnmazige metaalweefsel wat glinsterende blauwe lasers laten glijden en wij hadden al op de toppen van onze tenen moeten staan? Not quite.

Daarvoor bleef ook de muziek van eerstgenoemde, nieuwe song te afstandelijk. En Óveður ('slecht weer') detoneerde niet alleen door zijn titel: het was een kouwelijke ouverture, doorspekt met naargeestige elektronische tussenwerpsels, geweerschoten gelijk. Niet iets wat je na Nice, in het verpieterende licht van de menselijke beschaving en zo, over een festivalterrein wilde horen jagen

Magisch momentje

Maar kijk: tijdens Sæglópur - waarvoor de drie zich eindelijk vooraan kwamen posteren - versmolt het geprojecteerde azuur mooi samen met diezelfde tint in de laatavondlucht, en was een eerste magisch momentje een feit. Glósóli kleurde oranje en dat was wel gepast: een verschroeiende climax kregen we, een en al energie en hitte.

A photo posted by Walien (@walywalou) on

Toch zou overrompeling uitblijven. Ja, het ankerende slagwerk van Orri Páll Dýrason dat Untitled #6 (E-Bow) inleidde, kreeg wat handjes op elkaar. Jaja, Jónsi Birgissons héél lang aangehouden zangnoot in Festival was spectaculair - hopelijk strompelde er een official van Guinness World Records over de terrilgrond. En afsluiters Hafsól en Untitled # 8 (Popplagið) gooiden nog alle pluspunten van deze groep in de strijd: knarsende, tektonische gemoedsverschuivingen alsof het niets is, van angeliek naar apocalyptisch.

Alleen: hoeveel drone-achtige intro's, klapwiekende falsetto's of donderende finales moet een gemiddelde festivalbezoeker, die een hele dag de zegening van zon op de kruin heeft gevoeld, van elkaar te weten te onderscheiden? Eén menigte, drie helften, jazeker.

Eerst de conclusie dan maar: ik trad het Ijslandse driespan tegemoet als lid van die laatste demografische groep, en zo wuifde ik hen ook uit. Sigur Rós, zoveel mag geweten zijn, creëert muziek waarop de meeste adjectieven die men in de toeristische gidsen voor het vulkanische thuisland veil heeft van toepassing zijn. Er ligt een uniek, maar na dik twintig jaar ook wat stereoptiep patina op hun eigengereide combine van majestueuze postrock, glaciaal minimalisme en episch neo-klassiek. Met andere woorden: de verrassing is gesleten en dat liet zich voelen ter hoogte van The Last Arena, het grootste podium van Dour.Het trio maakte het de toeschouwers om te beginnen al behoorlijk lastig door openers Óveður en Starálfur vanachter een zwart gaasscherm te spelen. Even verwarring: neen, dit was niet langer de soundcheck. Over dat fijnmazige metaalweefsel wat glinsterende blauwe lasers laten glijden en wij hadden al op de toppen van onze tenen moeten staan? Not quite.Daarvoor bleef ook de muziek van eerstgenoemde, nieuwe song te afstandelijk. En Óveður ('slecht weer') detoneerde niet alleen door zijn titel: het was een kouwelijke ouverture, doorspekt met naargeestige elektronische tussenwerpsels, geweerschoten gelijk. Niet iets wat je na Nice, in het verpieterende licht van de menselijke beschaving en zo, over een festivalterrein wilde horen jagenMaar kijk: tijdens Sæglópur - waarvoor de drie zich eindelijk vooraan kwamen posteren - versmolt het geprojecteerde azuur mooi samen met diezelfde tint in de laatavondlucht, en was een eerste magisch momentje een feit. Glósóli kleurde oranje en dat was wel gepast: een verschroeiende climax kregen we, een en al energie en hitte.Toch zou overrompeling uitblijven. Ja, het ankerende slagwerk van Orri Páll Dýrason dat Untitled #6 (E-Bow) inleidde, kreeg wat handjes op elkaar. Jaja, Jónsi Birgissons héél lang aangehouden zangnoot in Festival was spectaculair - hopelijk strompelde er een official van Guinness World Records over de terrilgrond. En afsluiters Hafsól en Untitled # 8 (Popplagið) gooiden nog alle pluspunten van deze groep in de strijd: knarsende, tektonische gemoedsverschuivingen alsof het niets is, van angeliek naar apocalyptisch.Alleen: hoeveel drone-achtige intro's, klapwiekende falsetto's of donderende finales moet een gemiddelde festivalbezoeker, die een hele dag de zegening van zon op de kruin heeft gevoeld, van elkaar te weten te onderscheiden? Eén menigte, drie helften, jazeker.