Wie omstreeks half zes nog niet helemaal wakker was, kreeg al meteen een welgemikte por in de ribben van het Leuvense Slow Crush, een shoegazeband die al vaker getoerd heeft in de VS en elders in Europa dan in de eigen regio. Misschien helpt het wel dat de wieg van zangeres-bassiste Isa Holliday ooit in Manchester stond.
...

Wie omstreeks half zes nog niet helemaal wakker was, kreeg al meteen een welgemikte por in de ribben van het Leuvense Slow Crush, een shoegazeband die al vaker getoerd heeft in de VS en elders in Europa dan in de eigen regio. Misschien helpt het wel dat de wieg van zangeres-bassiste Isa Holliday ooit in Manchester stond. Hoe dan ook: het kwartet, dat de mosterd haalt bij My Bloody Valentine en Slowdive, draaide de volumeknop helemaal open en flirtte voorts met bevallige deernes als grunge, postrock en dreampop. Slow Crush diepte songs op uit zijn drie jaar oude langspeeldebuut Aurora en het in oktober te verschijnen Hush, al moeten we u de titels schuldig blijven. Ieder nummer leek gevangen in een mistbank, zodat je je afvroeg of de groepsleden elkaar op het podium überhaupt wel konden onderscheiden. De trage, in noise gedrenkte sound van Slow Crush is ondenkbaar zonder effectapparatuur. Het gezelschap ontwikkelde zelfs een eigen fuzzpedaal, al kon dat niet beletten dat het, na amper twee songs al werd geplaagd door technische problemen. De ijle, etherische stem van Holliday bleek een instrument dat door de andere steevast werd overwoekerd. Over de kwaliteit van de teksten kunnen we ons dus onmogelijk uitspreken. 'It's all one song', zei Neil Young ooit over zijn strapatsen met Crazy Horse. In de paardenstal klonk dat uiteraard als een boutade, maar bij Slow Crush was het een waarheid als een... koe. Wij hebben volstrekt niets tegen een uit gewapend beton opgetrokken wall of sound. Alleen hadden we de architectuur graag een tikje minder eenvormig gehad. 'Wat? Jullie dragen geen mondkapjes? Jullie staan dicht op elkaar gepakt? En jullie gaan veel lawaai maken?' Jelle Denturck, de zanger-bassist van DIRK. moest nog even wennen aan het post-Covidklimaat, maar hij toonde zich wél vastbesloten om samen met zijn gezellen een knaller van een feestje te bouwen. DIRK. -een mooiere bandnaam is nauwelijks denkbaar- beet zich met zoveel gretigheid vast in zijn repertoire, dat je al uit louter graniet moest geboetseerd zijn om aan zoveel jeugdige onstuimigheid te weerstaan. Enkele maanden geleden schreef het vierspan geschiedenis door met drie singles tegelijk in De Afrekening van StuBru te prijken. En naar de geestdriftige reacties van de aanwezigen te oordelen, is die populariteit nog steeds niet weggeëbd. DIRK. speelt lekker rammelende maar uiterst catchy 'indiepowerslackerpop', zoals een wakkere recensent het ooit omschreef. Bij dit kwartet hebben de gitaren het voor het zeggen. Zijn tweede plaat, Cracks in Common Sense, is bij het jonge volkje al net zo geliefd als het verzamelde werk van Cloud Nothings of de Pixies. Opener Toulouse was een schot in de roos, Hit had zijn titel niet gestolen en ook het al wat oudere Fuckup veroorzaakte uitzinnige taferelen. Terwijl de fans in koor 'I only fuck up when I hate myself / And I hate myself all the time' zongen, dook de nerdy frontman het publiek in alsof de pandemie nooit had plaatsgevonden. Met Artline benaderde DIRK. zelfs de opwindingsgraad van een zweterig rockconcert. Hoe lang was dàt niet geleden? 'Ik keer tevreden terug', meldde Mauro Pawlowki met de cool die we van hem gewend zijn. Hij-die-dezer-dagen-weer-een-interimmetje-bij-dEUS doet, staat bekend als de perfecte kameleon. Op uw eenvoudig verzoek tovert hij zowel noise, impro, metal, avant-jazz, als calypso uit zijn hoed, maar op Eternal Sunday Drive, zijn eerste soloplaat in twintig jaar (verschijningsdatum: 10 september) manifesteert hij zich als een bedachtzame, radiovriendelijke poptroubadour. In Hasselt gaf hij, samen met zijn vier begeleiders, uit dat voortreffelijke werkstuk alvast enkele voorproefjes. Het getater van het publiek klonk soms luider dan de band en ook de geluidsweergave liet te wensen over. Maar Mauro bleef zijn onverstoorbare zelf. Hij begon zijn set met het wiegende Always Someone, goochelde met reisimpressies van Montreux en Boedapest en stak zijn tongue soms weer behoorlijk ver in zijn cheek. In The Silent Sky hoorden we een oriëntaals aandoende synth, terwijl in Out of the Storm de gitarist een naar Duane Eddy-achtige solo neerzette. Opvallend waren voorts What It Takes, een stompende mid-temporocker, en het uitgesponnen Spotlight, dat het midden hield tussen progdisco en aanstekelijke funk. Het was meteen het moment suprême van de Schotse bassist Ewan Vernal, die in een vroeger leven aan de zijde van Chris Rea, Fish en Deacon Blue te horen was, maar nu dus eindelijk zijn ware bestemming had gevonden. 'Ziezo, ons Pukkelpopkwartier zit erop', riep Lara Chedraoui treiterig, na het vijfde nummer uit de set van Intergalactic Lovers. Geen nood echter, de Aalsterse groep die, na vier jaar stilte, binnenkort haar door Luuk Cox geproducete vierde langspeler Liquid Love uitbrengt, had er duidelijk zin in. En het enthousiasme was wederzijds: hits als Shewolf en Islands, die vooraan in de set zaten, werden uit volle borst meegezongen en ook de gulle portie nieuwe liedjes, waaronder de courante radiohit Bobbi, viel in goede aarde. Chedraoui, die wekenlang out was na een covidbesmetting, stond eindelijk weer goedlachs en relaxt op het podium en ook haar medemuzikanten grossierden als vanouds in smaakvolle, melodieuze en okselfrisse indiepop, aangestuurd door een stuwende ritmesectie en een geïnspireerd gitaarwerk. De verse songs hoefden voor de vertrouwde niet onder te doen. Hooguit zat er wat meer elektronica en wat meer punch in. Maar het waren toch vooral de oude bekenden, zoals Northern Rd, Obstinate Heart en het overwegend door de toeschouwers gezongen Delay die ervoor zorgden dat de comeback van Intergalactic Lovers tot een ware triomf uitgroeide. Met de postpunk van Whispering Sons maakten we een sprong in de tijd, want het Limburgse vijftal laat al enkele jaren de vroege eighties herleven en doet dat met een sound die schatplichtig is aan bands als Joy Division, Gang of Four en Sisters of Mercy. Vanaf de eerste noot werd het publiek ondergedompeld in een grimmig sfeertje dat vervreemding, onrust, wanhoop en claustrofobie suggereerde. Met platen als Image en Several Others maakte Whispering Sons al indruk in diverse buitenlanden en wie de groep op het podium aan het werk ziet, begrijpt meteen waarom. De machtige gitaar van Kobe Lijnen leek gefabriceerd door het merk Gilette, Sander Hermans ontlokte auditieve dolkstoten aan zijn klavier en de superstrakke ritmesectie ontketende meer onweer dan Frank Beboosere vermocht te voorspellen. De grote troef (of de achilleshiel) van de Sons is echter de lage, toonloze grafstem van Fenne Kuppens: je houdt ervan of ze bezorgt je spontaan haaruitval. De toeschouwers lieten zich willoos meeslepen door nummers als Got A Light, Alone, White Noise, Surface of het door een doodgraverspiano aangezwengelde Aftermath, al zou het natuurlijk wel kunnen dat sommigen onder hen een euh... pruik droegen. Naar haar gitzwarte teksten te oordelen was la Kuppens niet meteen het zonnetje in huis, maar het uur der spoken was inmiddels aangebroken, zodat u ongestoord kon huiveren. Of zoals enkele wildebrassen in het midden van de tent: de pogo heruitvinden. De meeste aanwezigen zullen het beamen: ook een kleinschalig off-shootfestival met uitsluitend Belgische bands kan best de moeite waard zijn. Hopelijk is Pukkelpop Kwartier dus het begin van een traditie. Dirk Steenhaut