DA GIG: Dead Man Ray in AB, Brussel op 25/4.
...

Sinds zanger Daan Stuyven en gitarist Rudy Trouvé elkaar eind vorige eeuw ontmoetten tijdens een huwelijksfeest, is Antwerpen, na dEUS, een boeiende rockband rijker. Hun muziek kwam tot stand via lange improvisaties, die werden opgenomen en vervolgens, middels de digitale knip- en plakmethode, in songstructuren gedwongen. Na dat ingewikkelde creatieproces moesten de heren, aangevuld met gitarist Elko Blijweert, toetsenman Wouter Van Belle en drummer Herman Houbrechts (later Karel De Backer) de nummers dus weer leren spelen. Opmerkelijk: in die begindagen bleek in het universum van Dead Man Ray voor een bas geen plaats te zijn. Het gezelschap gebruikte wél drie gitaren, wat een unieke, gelaagde sound opleverde. Arty, zegt u? Zeker, maar het vijftal was niet te beroerd ook de Vlaamse cowboy Bobbejaan Schoepen te eren door één van zijn films, At the Drop of A Hat, van een prikkelende nieuwe soundtrack te voorzien. Muzikale meningsverschillen deden Dead Man Ray uiteindelijk de das om, al werd het woord 'split' nooit in de mond genomen. Daan bouwde een succesrijke solocarrière uit, Trouvé bleef interessante muziek maken met elfendertig andere projecten. Naarmate de tijd vorderde en de geschillen werden bijgelegd kregen ze echter heimwee naar de chemie van weleer. Het stond dus in de sterren geschreven dat Dead Man Ray vroeg of laat uit zijn winterslaap zou ontwaken.Daarbij gingen de heren niet over één nacht ijs. Aan hun comebackplaat Over - de titel is een afkorting van Stuyvens woonplaats Overijse- hebben ze naar eigen zeggen zo'n drie jaar gesleuteld na vijf jaar van 'verkennende gesprekken'. De langspeler ligt niet alleen in het verlengde van de vier vorige platen, het is misschien wel het beste album van Dead ManRay tot nu toe. De hang naar abstractie en art brut, de conceptuele aanpak, de energie, de creatieve honger: alle typische kenmerken zijn intact. En ook nu weer is wrijving een sleutelbegrip: het ene moment omschrijft Rudy Trouvé zijn gezellen als 'beschaafde terroristen', het andere als 'compromissen sluitende dictators'.Op het podium van de AB liet Dead Man Ray zich dit keer op synths versterken door de van Few Bits bekende Steven Holsbeeks, wat het aantal toetsenspelers meteen op drie bracht. Naast Van Belle beroerde immers ook Trouvé regelmatig een klavier(tje). De heren deden hun reputatie als dwarsliggers alle eer aan door hun set te beginnen met nummers die andere groepen gegarandeerd tot de bisronde zouden opsparen. Ze zetten de avond in met Chemical, hun grootste hit, en plukten, bij wijze van geheugensteuntje ook iets uit hun drie andere platen: Brenner (en helaas niet Woods) uit Trap, het fraaie Landslide uit Cago en het niemendalletje Kind + Gezin uit de Marginal EP. Toch was de reunie nadrukkelijk géén oefening in nostalgie. Over kwam integraal voorbij, zij het dan niet in de volgorde van de plaat.Het stuwende Monochrome, waarin Daan Stuyven voor het eerst bij Dead Man Ray aan een basgitaar plukte, klonk veelkleuriger dan de titel leek aan te geven. De nieuwe songs waren zorgvuldig en met veel gevoel voor detail opgebouwd, zaten vol verrassende overgangen en eindigden nooit zoals ze begonnen. Rudy Trouvé kondigde ieder nummer tongue-in-cheek aan in het Nederlands en een vreemdsoortig soort Frans. Zo vernamen we bijvoorbeeld dat The Waving Song 'een homo-erotisch lied over motorrijders' was. In muzikaal opzicht hoorden we hier zowel echo's uit Heroes van David Bowie als verwijzingen naar de sound van Air. Ook Sunny Side Down, geïnspireerd door een schilderij van Fred Bervoets, had duidelijk in hetzelfde ledikant als de fransozen geslapen. Op de nieuwe plaat van Dead Man Ray zijn de nummers zo gelaagd dat de groepsleden vaak niet meer weten wie wát precies heeft gespeeld. Live dienen ze hun composities dus te herinterpreteren, waardoor die iets rechtlijniger klinken dan in de studio. In Clear History hoorden we plots een frivool synthmotiefje opklinken, terwijl Take & Give werd afgetrapt met een cheesy orgeltje. Ook Dead Man Ray bleek dus niet geheel aan Daans voorliefde voor kitsch te ontsnappen. Maar wie goed luisterde, hoorde het gelukkig af en toe ook schrapen en knarsen, wringen en schuren. Tijdens het op francofoon parlando steunende Middle Aged Men - Plastic Bertrand was deze keer blijkbaar niet vrij - werden op een scherm zwart-witfoto's geprojecteerd van ouder wordende rocksterren zoals Mark E. Smith, Iggy Pop of Bob Dylan. Zelfspot natuurlijk, want zelf zijn de bandleden ook geen groene blaadjes meer. In Home hadden ze het zelfs over een rusthuis voor popsterren.De sterkste nummers had de groep tot de tweede helft van de set bewaard: The Ladder werd overwoekerd door leftfield-gitaren; The Flock was een song met twee snelheden, waarin een traag croonende Stuyven weerwerk kreeg van een nerveus drummende De Backer. Het lang uitgesponnen Blisters begon als iets van The National, maar veranderde regelmatig van sfeer doordat de gitaren nu eens naar Afrika en dan weer naar Pink Floyd wezen. How to Fall werd ingezet met een statige, minimalistische piano, maar hulde zich in duisternis: 'I don't have a problem with the concept of falling / As long as I can choose at what speed'.Daan Stuyven stelt zich op de nieuwe plaat nu en dan wat persoonlijker en kwetsbarder op dan we van hem gewend zijn. Dat bleek ook uit Out, geschreven voor zijn (toen nog) ongeboren dochter en het springerige, aan zijn levensgezellin opgedragen Millionnaire (sic). Het concert werd alsnog afgesloten met een oude bekende (Copy of 78), maar met zo'n sterk nieuw materiaal had die toegift niet echt gehoeven. Dead Man Ray strikes again: een meer dan overtuigende verrijzenis.