Koyaanisqatsi was destijds het eerste deel van een trilogie, waar ook Powaqqatsi (1988) en Naqoyqatsi (2002) deel van uitmaakten. De titel was een woord uit de taal van de Hopi-indianen en betekende zoveel als 'het leven uit balans' of 'een levenswijze die dringend vervangen dient te worden door een andere'. Het was een film zonder dialogen of gesproken tekst, die vragen opriep over onze omgang met de technologie en waarin de botsing tussen twee werelden werd opgeroepen: die van het grootstadsleven en die van de natuur.
...

Koyaanisqatsi was destijds het eerste deel van een trilogie, waar ook Powaqqatsi (1988) en Naqoyqatsi (2002) deel van uitmaakten. De titel was een woord uit de taal van de Hopi-indianen en betekende zoveel als 'het leven uit balans' of 'een levenswijze die dringend vervangen dient te worden door een andere'. Het was een film zonder dialogen of gesproken tekst, die vragen opriep over onze omgang met de technologie en waarin de botsing tussen twee werelden werd opgeroepen: die van het grootstadsleven en die van de natuur. Koyaaniqatsi daagt uit en roept vragen op, toont een ontwrichte samenleving waarin Reggio, door zijn beelden te versnellen of te vertragen, een portret schetst van de mens die van zichzelf vervreemdt en zichzelf voortdurend voorbij holt. Zoals de cineast aangeeft, leven we in grote woningblokken van glas en beton, banen we ons dagelijks, als wriemelende mieren, een weg langs oververzadigde wegen, behelpen we ons tijdens de middagpauze met een snelle, ongezonde hap en bezondigen we ons aan de ongebreidelde consumptie van dingen die we niet nodig hebben. Een deel van de mensheid moet de kost verdienen met afstompend en depersonaliserend bandwerk, terwijl beelden van kernproeven, vliegdekschepen en bombarderende straaljagers duidelijk maken dat we intussen over alle middelen beschikken om onszelf als soort definitief om zeep te helpen. Vrolijk word je er niet van. OntnuchterendDoor auto's en voetgangers achterwaarts te doen bewegen, suggereert Godfrey Reggio dat ontwikkeling vaak ook achteruitgang betekent en dat we, in onze hang naar almaar méér, groter en sneller, de aardbol finaal onleefbaar dreigen te maken. Onnodig te zeggen dat de samenleving er sinds 1982, het jaar waarin Koyaanisqatsi uitkwam, nog beroerder aan toe is. De digitale revolutie had toen immers nog niet plaatsgevonden. Bij wijze van contrast toont de regisseur imposante, door de tijd gegroefde landschappen, woestijnen en woeste oceanen, die geen enkel spoor van menselijke activiteit vertonen. Bij het aanschouwen van zoveel natuurlijke schoonheid, kun je alleen maar concluderen dat de mens misschien wel het slechtste is dat de planeet kon overkomen. Een ontnuchterende vaststelling, al zal eenieder de apocalyptische beelden uit de documentaire wellicht op zijn eigen manier interpreteren. De oorspronkelijke, vaak nerveuze muziek van Philip Glass is een wezenlijk, haast onvervreemdbaar onderdeel van de film. Wie met een totaal nieuwe soundtrack komt aanzetten, geeft dus blijk van lef en zin voor avontuur, maar Chantal Acda en Eric Thielemans zijn niet de eersten de besten. Acda is een indiefolkzangeres en songwriter die de jongste jaren allianties smeedde met iconische muzikanten als Bill Frisell, Nils Frahm, Peter Broderick, Shazad Ismaily en Low en eerder dit jaar nog de fraaie lp Saturday Moon uitbracht. Thielemans is dan weer een bijzonder creatieve (jazz)drummer, die u hoort te kennen van zijn werk met zijn wederhelft, maar ook met Tape Cuts Tape, The Mechanics, EARR en Billy Hart. Geen van beiden pretendeert de oorspronkelijke soundtrack van Glass te kunnen overklassen, maar dankzij hun hoogstpersoonlijke aanpak ging je de film toch met nieuwe ogen bekijken. Het duo, dat de film in Antwerpen live begeleidde, bediende zich van minimale middelen, maar wist die steevast met maximaal effect aan te wenden. Thielemans was in de weer met allerlei belletjes, gongetjes en andere percussietuigen en bewees met zijn subtiele geritsel hoeveel verbluffende dingen je zoal met een drumstel kunt doen. Acda, die had postgevat achter haar keyboards, produceerde een elektronische drone waar ze overheen hijgde en fluisterde om uiteindelijk bij het soort vervormde, woordeloze zang uit te komen waar bands als Cocteau Twins en Dead Can Dance tijdens de eighties zo sterk in waren. BijenkorfBij momenten zongen Chantal Acda en Eric Thielemans samen, en hun stemmen harmonieerden zo prachtig dat je je erover verbaasde dat ze zulks nog niet eerder hadden geprobeerd. Het ene moment waande je je in een elektronische bijenkorf, het andere liet het stel de stilte spreken. Naarmate op het scherm de beelden van oorlog en destructie toenamen, werd ook de muziek heviger, door het gebruik van zware synthlijnen en martiale ritmen. Op die momenten gebruikte Acda haar stem op een manier die we nog nooit eerder hadden gehoord. Er zat woede en wanhoop in, maar even later, in het prachtige Moon Song, deed het woord zijn intrede en werden meerdere stemmenlagen ingenieus met elkaar verweven. De urgentie werd onderstreept met zinsfrasen als 'Time is running Out' en 'Take some notice', terwijl de tijd steeds sneller en onheilspellender leek te gaan tikken. Acda en Thielemans overstegen hun numerieke beperkingen door gebruik te maken van een gesamplede gitaar, trompet of viool. Vooral de elegische, neoklassieke muziek, die hevig contrasteerde met de jachtigheid van de beelden, maakte tegen het einde behoorlijk wat indruk. Je dacht niet langer aan de soundtrack van Philip Glass: de nieuwe composities van het Antwerpse stel werkten net zo goed. En dat was geen geringe prestatie. Koyaanisqatsi begon en eindigde met een camera die inzoomde op primitieve rotstekeningen. Een verwijzing naar onschuldiger tijden waarin alles trager ging? Het is een vraag die door de actualiteit - de klimaatverandering en de coronapandemie - vandaag prangender klinkt dan ooit. Film en muziek vormden samen in ieder geval een overtuigend pleidooi voor onthaasting. Een lockdown hoeft dus niet altíjd slecht nieuws te zijn.