DA GIG: Beck in AB, Brussel op 5/6. Vanavond volgt nog een tweede concert.
...

Na een moeizame bevalling verscheen eind vorig jaar Becks dertiende plaat. Colors kwam tot stand met de hulp van Greg Kurstin, die ten tijde van Sea Change uit 2002 al tot Becks entourage behoorde. Inmiddels heeft Kurstin naam gemaakt als producer van pop-acts als Sia en Kelly Clarkson en had hij een vinger in de pap tijdens het compositieproces van Adeles Hello. Dat had zo zijn invloed op de nieuwe nummers van Beck. Nooit eerder hadden we de artiest zich zo nadrukkelijk tegen de mainstream horen aanschurken. Het resultaat is een album in het teken van eenvoud en ongebreideld speelplezier. Colours is een licht verteerbare, opgewekte en radiovriendelijke popplaat die vrolijk ontsnapt aan beschrijvingen als 'modern' of 'retro' en vooral aangeeft dat de artiest zich geen moer meer aantrekt van de verwachtingen van het publiek. Hij doet, zoals altijd, precies wat hij wil - te nemen of te laten. Zingen zoals men geBeckt is, heet dat dan, en in zijn geval spreken we al gauw over meerdere bekken tegelijk. LevenslustIn Brussel wierp Beck zich, geruggensteund door een zevenkoppige band, dus op als een gewiekste entertainer, die het publiek overdonderde met de bruisende levenslust van Colors. Dat het geen doordeweeks concert zou worden, kregen we in de gaten vanaf de eerste nummers, Devil's Haircut en The New Pollution. Beck, met zwarte cowboyhoed, en zijn vrienden hadden duidelijk een feestje in gedachten. De hits volgden elkaar in hoog tempo op, wat de aanwezigen niet alleen tot luidkeelse samenzang inspireerde, maar ook tot veerkrachtige kangoeroesprongen. Synths pruttelden, gitaren stotterden en de ritmesectie werkte zich driftig uit de naad om er een leuk avondje van te maken. Beck wisselde songs uit zijn jongste plaat af met oude bekenden uit zowat alle etappes van zijn carrière en daarbij viel vooral op hoe vaak hij teruggreep op het dertien jaar oude Guero. Ook Odelay kwam regelmatig aan bod. De meeste nummers klonken beknopt en snedig en de zanger had voor een flitsende show gezorgd, met even veelkleurige als amusante animaties op een wandvullend videoscherm.Dat Beck een beslagen performer is, wisten we al, en ook nu weer had hij er weinig moeite mee de toeschouwers zijn universum binnen te lokken. Het half gerapte Que Onda Quero, het springerige, met grofkorrelige bluesgitaar versierde Gamma Ray, het stormachtige Mixed Business, de aanstekelijke rhythm-and-blues van Go It Alone, de huppelende synthpop van Girl, het ging er bij de aanwezigen in als snoepjes bij een zesjarige. Ook tijdens de nieuwe songs klonk de band als een goed geoliede machine. Het naar het voorbeeld van The Avalanches verknipte Wow, genoemd naar een veelgebruikte uitspraak van de filosoof Homer Simpson, toonde Beck op zijn frivoolst. Up All Night zweemde naar disco, tijdens Colors leek het alsof het voltallige AB-publiek net een reusachtige trampoline onder de voeten geschoven had gekregen en ook de 'wo-ho-ho's' van Dreams werden als één man meegebruld.Heel even doorbrak de zanger de party mood met een akoestisch soloblokje: met Lost Cause vingen we bijvoorbeeld nog eens een glimp op van Beck-de-folktroubadour. Debra ('about that fragile form of expression called love') werd iets te vaak onderbroken door commentaar die niet altijd even relevant was en de kampvuurversie van het door Prince aangeleverde Raspberry Beret werd weliswaar enthousiast meegebruld, maar groots kon je ze zeker niet noemen. Neen, dan liever de twee nummers uit Morning Phase, een plaat die veel te weinig mensen hebben gehoord, dixit Beck. Het mooi gestroomlijnde Heart Is A Drum kreeg van de band een als gegoten zittend folkrockjasje aan, terwijl het meerstemmig gezongen Blue Moon zachtjes onze hartspieren masseerde. Mooi. Alleen stonden die liedjes, qua sfeer, wel behoorlijk haaks op de feestnummers waar Beck in de AB zijn setlist mee had volgekrabbeld.Zoals te voorspellen viel, gingen tijdens Loser - blueshop, dooraderd met een psychedelisch aandoende saz - en E-Pro, met zijn aanstekelijke nanana's, alle remmen los. Sneu dus dat na die piek alles een beetje instortte met een langdradige bis. Where It's At diende uitsluitend als excuus om de band voor te stellen - ja, dat was Jason Falkner op gitaar!- en ieder groepslid een overbodig solootje toe te meten. Zat er iemand te wachten op citaten uit Strawberry Fields Forever (The Beatles), Cars (Gary Numan), Once in a Lifetime (Talking Heads) of Miss You (The Rolling Stones)? U kent het antwoord zelf wel. Toen Beck uiteindelijk naar zijn smoelschuiver greep om het bluesy One Foot in the Grave uit de lucht te plukken, was hij onze aandacht al helemaal kwijt. Waarom de man zo'n uitgebreid gevolg mee had gebracht, was ons niet helemaal duidelijk. We hadden liever wat meer reliëf en wat meer weerhaakjes gehoord. Beck koos voor hoogwaardig amusement zonder pretenties en op zijn songs viel doorgaans weinig af te dingen, maar eerlijk: we hadden hem nog nooit zo glad gehoord. Jammer? Gewoon een kwestie van smaak, wellicht.