Vijf jaar geleden imponeerde Stevens met Carrie & Lowell, een dieppersoonlijke kijk op de troebele relatie met zijn in 2012 overleden moeder en de band die hij met stiefvader Lowell Brams opbouwde. Stevens maakte die plaat in de greep van een klinische depressie, maar op The Ascension klinkt hij nauwelijks vrolijker.
...

Vijf jaar geleden imponeerde Stevens met Carrie & Lowell, een dieppersoonlijke kijk op de troebele relatie met zijn in 2012 overleden moeder en de band die hij met stiefvader Lowell Brams opbouwde. Stevens maakte die plaat in de greep van een klinische depressie, maar op The Ascension klinkt hij nauwelijks vrolijker. Het verschil is dat de Amerikaan nu de blik naar buiten richt. Stevens is niet immuun voor de symptomen van deze tijd, waarin we het geloof dat we ooit aan hogere machten zoals democratie of religie hechtten voor een flink stuk zijn kwijtgespeeld. The Ascension bestrijkt tachtig minuten nieuwe muziek. Het is een breed canvas dat door de drukke, strenge ritmes, sombere synths en donkere drones soms hermetisch overkomt. Geen delicaat gitaar- of banjogetokkel dus waarmee Sufjan Stevens zijn naam vestigde, wel muziek eigenhandig onttrokken aan laptop, synthesizer en drumcomputer. Een pragmatische keuze, want door verhuizingsbeslommeringen was dat het enige beschikbare gereedschap. In dat elektronische, vaak aan Kid A van Radiohead verwante bad laat Stevens depressieve gedachten de vrije loop (Tell Me You Love Me), overpeinst hij menselijke zelfoverschatting (Ativan) of de mate waarin hij van zichzelf is vervreemd (Ursa Major), en snakt hij luidop naar absolutie, liefde en verlossing. Zoals een reclamejongen die een brainstormsessie leidt, krabbelt hij voorts de doelstelling 'I wanna die happy' op het witte bord. Maar in de bijna gelijknamige song volgt geen enkele suggestie: het enige wat Stevens doet, is dat zinnetje herhalen in een mantra dat geen hoop maar treurnis baart. Nope, veel leute valt uit The Ascension niet te putten. Zeker niet wanneer Death Star bombast opstapelt en in de lange intro van Sugar milde vrieskou intreedt. Toch is Stevens geen zwartkijker. Video Game huppelt je tegemoet op een speelse discopopcadans, en als zanger is hij meeslepende, pakkende melodieën te zeer genegen om het zomaar op een lamenteren te zetten. In het twaalf minuten durende orgelpunt America geeft hij weliswaar beschaamd toe van zijn geloof te zijn gevallen, en smeekt hij dan toch: 'Don't do to me what you did to America.' Toch is deze wonderlijke suite, waarin deur na deur opengaat, ook een toonbeeld van persoonlijke vrijheid en creativiteit. Zo verlaat men The Ascension met een ander idee dan dat waarmee men het binnentrad. Mooi, dat.