Je weet dat je op fijngeslepen sarcasme bent gestoten als een zanger in een clip zijn volgetatoeëerde overgewicht over een tennisbaan sleept, met nauwelijks meer om zijn lijf dan een joggingbroek (het meest zijn doel voorbijschietende kledingstuk ooit), terwijl hij een song meelipt die Sports heet. Dat nummer stond op Street Worms (2018), een plaat waarop het betreffende heerschap, Sebastian Murphy, een paar scherpe dronkenmanstirades afstak tegen lui conformisme en giftig machogedrag.
...

Je weet dat je op fijngeslepen sarcasme bent gestoten als een zanger in een clip zijn volgetatoeëerde overgewicht over een tennisbaan sleept, met nauwelijks meer om zijn lijf dan een joggingbroek (het meest zijn doel voorbijschietende kledingstuk ooit), terwijl hij een song meelipt die Sports heet. Dat nummer stond op Street Worms (2018), een plaat waarop het betreffende heerschap, Sebastian Murphy, een paar scherpe dronkenmanstirades afstak tegen lui conformisme en giftig machogedrag. Op Welfare Jazz - vrij vertaald: overgesubsidieerde jazz - maken Viagra Boys de frustratie en humor die in hun groepsnaam liggen besloten alweer waar. Neem alleen al de binnenkomer Ain't Nice, waarin Murphy blij is dat hij weer eens van straat is geraakt: 'You ain't that nice but you got a nice face/ Hope I can fit all my shit at your place.' Niet het romantische type. Integendeel, deze halve Zweed (zijn vader is Amerikaans) maakt van klaplopen een kunst. Waarom hij op zijn voorhoofd het woord lös in inkt heeft gezet? 'Ik heb een los moreel kompas.' De muziek van zijn groep is ernaar. Viagra Boys laveren tussen de ontaarde postpunk van The Birthday Party en de smoezelige discostrapatsen van Fat White Family-afgeleiden Warmduscher. Met een humeurige, soms zwaar vervormde saxofoon als onmisbaar element. Eenduidig is Welfare Jazz niet. De verrassende knieval Into the Sun ('I'd stop drinking and gambling/ To earn back your love') geeft een idee van hoe het zou klinken mocht Mark Lanegan zijn electroblues met de theatraliteit van Tom Waits serveren. Het van zelfspot vergeven Toad en denderende 6 Shooter herinneren je eraan dat de Stooges een deel van hun protopunk aftapten van ontspoorde jazz. De manische, groteske dansvloerambiance in Girls & Boys - een bezopen interpretatie van Jimi Tenors Take Me Baby, lijkt het - is zowel grappig als grimmig. En op de gruizige EBM van Secret Canine Agent volgt het bijna cabareteske I Feel Alive. Twee mooie verrassingen op het eind. In To the Country, over een koppel verliezers dat een zoveelste zeepbel achternaholt, stijgt Murphy boven zichzelf uit. Met In Spite of Ourselves - een verbazende cover van de Amerikaanse singer-songwriter John Prine - geven Murphy en Amy Taylor (van het Australische white trash-clubje Amyl and the Sniffers) op sappige wijze gestalte aan een ouder echtpaar dat elkaars kleinste kantjes met de mantel der liefde bedekt. Een gedachte, nu al: met 2021 komt het wel goed.