Tud tud tud-tud-tud. Tud tud tud-tud-tud. Het is op het kurkdroge ritme van tikken uit de drumcomputer dat Working Men's Club aan de deur klopt op hun wegens corona lang uitgestelde debuutalbum. Een vloek voor het rusteloze brein van Sydney Minsky-Sargeant, de achttienjarige frontman met het hart op de tong en geen tijd te verliezen. 'Trapped inside a town/ Inside a mind/ Stuck with no ideas/ I'm running out of time', declameert hij over de ritmeboxdreunen, sissende ...

Tud tud tud-tud-tud. Tud tud tud-tud-tud. Het is op het kurkdroge ritme van tikken uit de drumcomputer dat Working Men's Club aan de deur klopt op hun wegens corona lang uitgestelde debuutalbum. Een vloek voor het rusteloze brein van Sydney Minsky-Sargeant, de achttienjarige frontman met het hart op de tong en geen tijd te verliezen. 'Trapped inside a town/ Inside a mind/ Stuck with no ideas/ I'm running out of time', declameert hij over de ritmeboxdreunen, sissende hihats en epileptische acid house- bleeps van de glorieuze opener Valleys. Alsof het viertal eigenhandig de heropbouw aanvat van The Haçienda, de legendarische danstempel in Manchester waar New Order in de eighties mee de plak zwaaide, zo passeren ook de bunkerfunk van John Cooper Clarke en A.A.A.A., industriële electropunk die Cabaret Voltaire op de enkels trapt. Wanneer we in White Rooms and People ook nog een zweem The Human League opsnuiven, is het zonneklaar: de studiodeur van producer Ross Orton, die onder meer Arular van M.I.A. en A.M. van Arctic Monkeys mee in goede banen leidde, staat wijd open voor invloeden uit zijn thuisbasis Sheffield. Vormt het gehypte Working Men's Club de witte, muzikale hoop in bange brexitdagen? Daarvoor schift de piepjonge voorman nog iets té veel door de popgeschiedenis. Weinig consequent ook: in de blaadjes zijn ongefilterde mening spuien over te veel copycats van The Fall die naar een platencontract dingen, en in Cook a Coffee zélf de monotone intonatie en cadans van Mark E. Smith dunnetjes overdoen. In hun nog prille bestaan kreeg de band al af te rekenen met een identiteitscrisis en de daaruit voortvloeiende personeelswissels. Publieke groeipijnen die hier en daar een stempel nalaten, zoals op het geforceerd rockende Be My Guest. Toch werkt de roekeloze teen spirit waarmee Minsky-Sargeant zijn bleke toekomstperspectief ( 'I hate tomorrows', 'everything's a myth') knarsetandend omzet in soms euforische, soms bitterzoete melodieën bij momenten bijzonder aanstekelijk. Een jonge groep in volle ontplooiing dus, die zich momenteel in een stadium ergens tussen de droefgeestige synthpop van Baxter Dury en de danshymnes van LCD Soundsystem bevindt, zeker wanneer de koebel ervan langs krijgt tijdens Teeth. Toek toek toek-toe-doek.