Al bijna een kwarteeuw dwingt Dan Bejar zijn impressionistische bespiegelingen en sardonische poëzie tegen het blad, om er vervolgens per nieuw album een muzikale gedaante bij te verzinnen. Sinds de semidoorbraak die volgde op Kaputt (2011) kleurt dat silhouet steeds vaker in de verschillende pasteltinten van softrock, smooth jazz en de gesofisticeerde synthpop van Roxy Music en Japan.
...

Al bijna een kwarteeuw dwingt Dan Bejar zijn impressionistische bespiegelingen en sardonische poëzie tegen het blad, om er vervolgens per nieuw album een muzikale gedaante bij te verzinnen. Sinds de semidoorbraak die volgde op Kaputt (2011) kleurt dat silhouet steeds vaker in de verschillende pasteltinten van softrock, smooth jazz en de gesofisticeerde synthpop van Roxy Music en Japan.Voor de Canadees is het leven de Titanic, een gigantische plezierboot die gedoemd is om te zinken, en Destroyer is het orkest dat stoïcijns de ijsberg tegemoetziet. Met kristallen glazen en in peignoir, klinkend op de nakende apocalyps, pretentieus én groovy. Een in existentialistisch proza kreunende would-becrooner met een Casio-keyboard. Het goede nieuws? Het pak zit hem steeds beter. 'I was like the laziest river/ A vulture predisposed to eating off floors', steekt Crimson Tide van wal, over een aanzwellend getij van glinsterende synths en klotsende bassen. 'No wait, I take that back/ I was more like an ocean/ Stuck inside hospital corridors.' Voor 'boy meets girl' en soortgelijke karamellenverzen: ander adres. Narratief, concrete ontboezemingen? Liever kermt Bejar over 'death threats scrawled in invisible ink' tijdens het louche Cue Synthesizer, een cryptische analyse van het hedendaagse muziekbedrijf, waarin hij de deelnemers vergelijkt met trekpaarden, 'drowning in a sea of love'. Je zou Destroyer hetzelfde sarcasme en narcisme kunnen aanwrijven waarmee Father John Misty lief en leed vangt in krullende, enigmatische verzen, maar hier weet Bejar af en toe te ontsnappen uit zijn eigen vacuüm, en kiest hij het vaarwater van zijn landgenoot Leonard Cohen op diens laatste albums. Zo is University Hill, naar de wijk in Vancouver waar hij opgroeide, een haast ontroerend wiegelied over de tredmolen van het bestaan: 'You play to win not a goddamn thing/ You climb the walls, you're made of string.' In The Man in Black's Blues, deinend op het gepolijste elan van Bryan Ferry, zit zelfs een boeddhistisch filosofietje: 'When you're looking for nothing/ And you find/ Nothing is more beautiful/ Than anything you ever knew.' Op de vraag of Destroyer heden ook beschikbaar is voor bruiloften en babyborrels bleef hun management het antwoord voorlopig schuldig.