Door Patrick Duynslaegher
...

Door Patrick Duynslaegher'Road to Perdition' vanaf 11 september in de bioscoop. Nauwelijks drie jaar geleden was Sam Mendes een nobody in Hollywood, hoe bekend hij ook mocht zijn in de Engelse toneelwereld en op Broadway, waar hij furore had gemaakt met zijn regie van The Blue Room en de revival van Cabaret. Eén film later ziet het plaatje er echter helemaal anders uit. Met American Beauty (1999) maakte de Britse golden boy zijn spectaculaire entree in Tinseltown. Naast groot succes bij critici en publiek haalde zijn fenomenaal speelfilmdebuut ook nog eens de belangrijkste oscars binnen: beste film, regisseur, acteur (Kevin Spacey), scenarist (Alan Ball) en fotografieleider (Conrad Hall). De vraag was nu of Mendes (36) die stunt nog eens zou kunnen herhalen. Wel, de sceptici krijgen ongelijk: ook zijn tweede proeve achter de camera is een schot in de roos en werd in de States meteen toegejuicht als 'the year's first Oscar movie'. Mendes gooit het in Road to Perdition radicaal over een andere boeg en kiest na zijn speels provocerende satire over de middle class-malaise in het Amerika van de suburbs ditmaal voor een episch gangsterverhaal dat zich afspeelt in de Ierse onderwereld in Illinois in de vroege jaren dertig. Hoewel de film gebaseerd is op een comic strip - van Max Allan Collins met illustraties van Richard Piers Rayner - is het ritme van de film plechtstatig en de toon waardig en somber. De Ierse gangsters bewegen zich strak in een fatalistisch universum van kleinsteeds en landelijk Amerika tijdens de Depressie, dat sterk onder de knoet leeft van de Ierse katholieke Kerk. De openingsscène van The Godfather troonde ons mee naar een uitbundig bruiloftsfeest maar Road to Perdition opent kenschetsend met een dodenwake. Het is lang niet het enige christelijke ritueel in deze visueel verrukkelijke meditatie over vaders en zonen, zonde en verlossing en biecht en boete. Zo is er de sleutelscène waarin de Ierse maffiabaas Rooney (Paul Newman) en zijn rechterhand Michael Sullivan (Tom Hanks) elkaar in een kerk ontmoeten en de oude man zijn surrogaatzoon - nu zijn doodsvijand - op de enige zekerheid in hun bestaan wijst: 'No one in this room is going to heaven'. 'Het katholicisme is cruciaal in deze film,' zegt Sam Mendes. 'Het geeft een structuur aan het leven van deze misdadigers, biedt ze alsnog de kans op redding. Enkel het geloof behoedt ze voor de complete chaos.' Die morele chaos wordt geïncarneerd door een andere huurmoordenaar, een eenzame sociopaat (Jude Law) die jacht maakt op Sullivan en zijn zoontje nadat ze door de onderwereld vogelvrij zijn verklaard. Deze theatrale doder heeft een bijverdienste als crime scene-fotograaf en maakt zodoende de (op het werk van Weegee geïnspireerde) portretten van verse lijken die hij zelf leverde. Wat het verhaal voortdrijft, is Sullivans wanhopige strijd om zijn overlevend zoontje niet in zijn eigen voetsporen te laten treden, nadat zijn beroepsleven op een verschrikkelijk ingrijpende manier zijn privéleven aantast en het leven kost aan zijn vrouw (Jennifer Jason Leigh) en jongste kind. De titel Road to Perdition slaat natuurlijk niet louter op het boerengat in de Midwest waar vader en zoon heen vluchten, het is ook het pad van de verdoemenis waar ze willen van afwijken. Road to Perdition is in veel opzichten een klassieke genrefilm al weet Mendes verduiveld goed de onvermijdelijke clichés en archetypes een andere draai te geven en het voorspelbare eigen aan een film over personages die vastzitten aan hun lotsbestemming toch nog verrassend in te kleuren. De tegendraadse casting draagt daar in ruime mate toe bij. Tom Hanks, lieveling van goedgeluimd en papperig Middle America speelt voor een keertje een huisvader die zijn brood verdient met mensen neer te maaien. Mr.Nice Guy is hier koel, afstandelijk, een beetje afstotelijk zelfs. Paul Newman, meestal een toonbeeld van rechtschapenheid en rebels idealisme, wordt bij Mendes een hardvochtige misdaadkoning die over lijken - zelfs kinderlijken - gaat om zijn crimineel imperium te beschermen. Plotseling wordt een icoon van eerlijkheid zo een satanische verschijning. De bloedmooie Jude Law, doorgaans gecast omdat hij zo schandalig aantrekkelijk oogt, wordt door de make-upexperten zwaar toegetakeld en loopt er nu gebocheld, kalend en met rotte tanden bij. Zoals de meeste grote gangsterfilms, van Howard Hawks Scarface (1932) tot Sergio Leones Once Upon a Time in America (1983) is Road to Perdition een film die zijn eigen mythologie creëert en moedwillig een loopje neemt met historische feiten en echt bestaande personages (Rooney is losjes gebaseerd op John Looney die in de jaren dertig leider was van een misdaadsyndicaat in Illinois). De film krijgt bovendien een sprookjesachtige allure, omdat alles wordt verteld door het twaalfjarig zoontje van Sullivan, die zich de zes weken herinnert dat hij met zijn vader op de vlucht was. Vanaf de moordpartij die hij toevallig gadeslaat en die de fatale wraakmechaniek in werking zet, zien we alles door de verbaasde ogen van Michael Jr. (nieuwkomer Tyler Hoechlin). De werkelijkheid ziet er groter, indrukwekkender en raadselachtiger uit. En zoals elke herinnering uit de kinderjaren is de opgeroepen wereld zeer tactiel, kan de manier waarop het zonlicht op een muur valt even dramatisch zijn als een shoot-out. De beeldentaal van Road to Perdition is tegelijk zeer gesofisticeerd qua technisch vernuft en kinderlijk naïef in visuele expressie. Eerst stuiven vader en zoon met hun auto door mythische lege en ongerepte landschappen. In een prachtige overgang ontdekt Michael Jr. bij zijn ontwaken op de achterbank de bruisende stad Chicago, met zijn wolkenkrabbers, hotels als paleizen, gangsters als superhelden. De tragische vlucht van de Sullivans krijgt de contouren van een fantastisch avontuur dat - rekening houdend met de bloederige incidenten - in een tegendraads zacht en langzaam tempo over het doek glijdt. Dat belet ook dat de film bezwijkt onder zijn claustrofobische somberheid en geeft de schaars verlichte taferelen panache en energie. Mendes nam andermaal veteraan-cameraman Conrad Hall (76) onder de arm en die overtreft hier met zijn verbluffend werk zo mogelijk zijn grootste triomfen ( In Cold Blood, The Day of the Locust, Hell in the Pacific). Hall speelt in zijn maniakaal bestudeerde fotografie op een briljante wijze met weerkaatsingen, regen, sneeuw, wind, maan- en kaarslicht. Het kleurpalet is erg gedempt - soms lijkt het wel een kleurenfilm in zwart-wit. Veel scènes zijn gedraaid in clair-obscur, al dan niet in combinatie met indirecte harde lichtbronnen. Vooral in het eerste deel van de film is hoofdrolspeler Tom Hanks veelal in schaduwen gehuld en kunnen we zijn ogen niet zien. 'Soms kun je beter gissen naar de zielenroerselen van iemand als je zijn ogen niet ziet,' zegt Mendes over een belichtingstechniek die ook een hommage is aan de droefgeestige doeken van Edward Hopper. En die ons in de positie dwingt van het zoontje dat het mysterie van zijn vader probeert te doorgronden. 'Je moet bijna voorover leunen in je zetel om te zien wat er in hem omgaat.' Steven Spielberg, wiens filmmaatschappij DreamWorks beide films van Mendes produceerde, zegt over zijn ontdekking dat hij het oog van een camera heeft, zelfs als hij toneelstukken regisseert. 'His theater is cinematic, and his cinema is theatrical.' In Road to Perdition spat Mendes' cinematografisch talent in ieder geval van het doek. Zoals in de bravourescène waarin de diverse bankovervallen die vader en zoon plegen, worden samengebald in één sierlijke continue beweging. En dan is er natuurlijk ook nog de dood van Newman. Hij sterft in een hagel van kogels en regen, de lichamen vallen in slowmotion en het mitrailleurvuur is nog onwezenlijker gemaakt door afwezigheid van enig natuurlijk geluid - we horen alleen de obsederend melancholische score van Thomas Newman. Het is een afrekening die is voorbestemd om even klassiek te worden als de Liebestod van het doorzeefde outlawkoppel in Bonnie and Clyde.