Het gebeurt niet elke dag, en misschien is dat maar beter ook. Je leest, je hoort of je ziet iets, en je zou er de mensheid geweldig hard mee om de oren willen slaan, zoals Patti Smith haar publiek ooit - letterlijk - bekogelde met dichtbundels van haar grote held Arthur Rimbaud.
...

Het gebeurt niet elke dag, en misschien is dat maar beter ook. Je leest, je hoort of je ziet iets, en je zou er de mensheid geweldig hard mee om de oren willen slaan, zoals Patti Smith haar publiek ooit - letterlijk - bekogelde met dichtbundels van haar grote held Arthur Rimbaud. Belle Du Seigneur van Albert Cohen zou daar in aanmerking voor kunnen komen, een cultroman over De Liefde die bij wet verplicht zou moeten worden. Of anders wel J'Abandonne van Philippe Claudel, of het verzameld werk van Oscar Wilde. De onnavolgbare rants van stand up comedian Bill Hicks zaliger, ook: 'We're just a virus with shoes. That's what we are.'De magistrale concertfilm Heart Of Gold waarmee Jonathan Demme zijn goede vriend Neil Young een gelukkige zestigste verjaardag wenste. De videoclip van Nine Inch Nails' Hurt in de versie van Johnny Cash. De Mattheuspassie van Bach. Famous Blue Raincoat van Leonard Cohen. Get It On van T.-Rex. Venus In Furs van The Velvet Underground, in de versie van Lou Reed en Antony Hegarty van The Johnsons op Animal Serenade. Mr. Blue Sky van Electric Light Orchestra. Come Together van The Beatles. Sympathy For The Devil van The Stones. L'histoire de Melody Nelson van Serge Gainsbourg. Berlin van Lou Reed. O en 9, de eerste twee platen van - u voelde 'm komen - Damien Rice. Sinds 9 Crimes, zijn hartverscheurend mooie kerstsingle van een paar maanden geleden, kent werkelijk iederéén de 33-jarige singer-songwriter uit Ierland. Zelfs muzikaal andersvaliden die hun dagen uitsluitend vullen met Q Music, 4FM en Radio Donna. 'Listeners also bought: James Blunt, Marco Borsato and Stash', lezen we bij wijze van waarschuwing op zijn iTunes-pagina. De tol van de roem, want tot voor kort was Damien Rice niet meer dan een bescheiden hype-je in fijnproeverskringen. Een van de beter bewaarde geheimen van de popmuziek. Zijn allereerste concert in onze contreien, vier zomers geleden op Pukkelpop, speelde Rice voor een halflege tent vol half comateuze festivalgangers. Bij zijn eerste Belgische zaaloptreden, een paar maanden later in de Botanique, telden we met heel veel moeite een paar dozijn geïnteresseerden. Maar bij zijn derde halte in ons land, een halve vloek en een korte zucht later, was de Ancienne Belgique al een paar maten te klein geworden. Alle vroege fans uit de Botanique waren teruggekeerd in het gezelschap van geliefden, familieleden, vrienden, buren, vage kennissen en net-geen-volslagen onbekenden. Al dan niet onder zachte dwang, op straffe van een liefdevolle marteling of erger. En zo veroverde Damien Rice België zoals hij eerder ook al Ierland, Engeland, het Europese vasteland en de Verenigde Staten veroverd had. Op kousenvoeten. Door mond-aan-mondreclame. Zonder marketingstrategie whatsoever. Met weinig meer dan een paar duizelingwekkend intense concerten en een plaat vol hartverscheurend trieste liedjes - O. Naar eigen zeggen had hij nooit durven hopen dat hij er meer dan een handvol exemplaren van zou verkopen. ('Ik raadde mijn begeleidingsgroep aan om voor een vast loon te werken. 'Als jullie een procent willen, riskeren jullie te verhongeren', zei ik hen.') Maar vier jaar later staat de teller voor O op ruim twee miljoen exemplaren en lijkt opvolger 9 goed op weg om nog beter te doen. Met dank aan een paar bevlogen Amerikaanse radioproducers, die Rices songs uit pure evangelisatiedrang al begonnen te draaien nog voor zijn plaat te krijgen was. En met wat hulp van Julia Roberts en Natalie Portman, die hem drie jaar geleden op eigen initiatief opbelden met de vraag of ze The Blower's Daughter mochten gebruiken als themasong voor hun film Closer. Ze hadden een krop in de keel gekregen van de tekst, zeiden ze: 'And so it is Just like you told It would be Life goes easy on me Most of the time And so it is The shorter story No love, no glory No hero in her sky.'Maar wie is nu die Damien Rice, die door muziekjournalisten wereldwijd werd ingehaald als de nieuwe - afhankelijk van de bron - Donovan / Jeff Buckley / Nick Drake / Neil Young / Bob Dylan / Thom Yorke / Van Morrison? Een moeilijk ventje, zo blijkt, dat een hekel heeft aan de neveneffecten van een miljoenenverkoop. Een anti-ster die uren wil praten met zijn fans maar consequent handtekeningen weigert - 'Het gaat niet om mij, maar om mijn songs' - en die wel eens boos van het podium durft te stappen als er niet stil genoeg wordt gefluisterd tijdens zijn concerten. Zoals zijn grote held Jacques Brel destijds, samen met Leonard Cohen en Nina Simone de enige muzikant van wie hij naar eigen zeggen ooit platen kocht. Damien Rice is het soort volbloedtalent waarover al de meest wonderbaarlijke onzin werd geschreven - een Ierse collega bood zich in een recensie zonder veel omwegen al als groupie aan - maar laat zich het best vatten in een paar faits divers. Voor hij soloartiest werd, stond Rice als 'Dodi Ma' al acht jaar lang achter de microfoon bij de Ierse glamrockgroep Juniper. Het vijftal had twee radiohitjes - Weatherman en The World Is Dead - maar een paar uur voor ze naar Frankrijk zouden vliegen om in een kasteel hun eerste plaat op te nemen met producer Mike Hedges van The Manic Street Preachers, hield Rice het voor bekeken. Een marketeer van platenfirma Universal had erop aangedrongen 'zo radiovriendelijk mogelijk te zingen'. En toen bleek dat er plannen waren om de eerste persing van de plaat op te kopen zodat ze zeker de hitparade zou halen, was voor Rice de maat vol. Hij zwoer dat hij nooit meer iets met de muziekindustrie te maken wilde hebben, en speelde een paar jaar lang alleen maar op straat. Platenmogol Jack Rovner, ooit de grote baas van RCA, zou volgens de geruchtenmolen speciaal voor Rice het onafhankelijke platenlabel Vector Recordings opgericht hebben, omdat hij alleen bij een indie wou tekenen. 'Ik heb met de jonge Dylan en Springsteen gewerkt, en Damien Rice is van hetzelfde kaliber', vertelde Rovner nog voor de onderhandelingen aan al wie het horen wilde. 'He's got the gift. ' In de aanloop naar zijn solocarrière kreeg Damien Rice 10.000 euro toegeschoven van zijn aangetrouwde neef David Arnold, de ghostwriter van Björks I Play Dead en de soundtrackcomponist van onder meer Independence Day en de James Bondfilms Tomorrow Never Dies, Die Another Day, The World Is Not Enough en Casino Royale. Arnold overtuigde hem om met het geld een professionele opnamestudio te boeken, maar naderhand nam Rice alles van voor af aan opnieuw op met een oude achtsporenrecorder, zonder Protools of andere toeters en bellen, in zijn jongenskamer in het huis van zijn ouders. ('Schrijven is kotsen', liet hij achteraf optekenen. 'En zingen is kakken: dat gaat niet op commando in een studio. Een toilet boek je ook niet tussen kwart na vier en half vijf.') Na de opnames stak Rice zich voor nog eens 35.000 euro extra in de kosten om zijn ruwe slaapkameropnames in eigen beheer te kunnen uitbrengen. In handgemaakte en recycleerbare doosjes met een eigen tekening, die bijna tweederde van het budget opsoupeerden. In een (zeldzaam) interview: 'Ik wilde niet dat de verpakking er plastic zou uitzien, en functioneel. De wereld is zo al lelijk genoeg.' Dat Damien Rice een man met principes en een handleiding is, mag ook blijken uit zijn omgang met de pers. Ten tijde van zijn debuutplaat, toen niemand hem kende, hield hij zich aan een strikt dieet van maximum drie reporters per week. Ook in de zogezegd 'oninneembare' Verenigde Staten, waar zelfs Chris Martin en Bono zich terwille van hun aandeelhouders eindeloze persdagen laten welgevallen. Een journaliste van het Ierse cultuurblad Hot Press die hem als een van de weinigen te spreken kreeg, had het na een uitputtingsslag van suggestieve vragen en vage en ontwijkende antwoorden sarcastisch over de beweging van 'De Nieuwe Bescheidenheid', waar haar interviewee volgens haar de oprichter van was. 'Vond je het niet een héél klein beetje spannend om bij David Letterman of Conan O'Brien op te treden', had ze ergens halverwege gevraagd. Waarop Rice: 'Het spijt me dat ik je moet teleurstellen, maar met de hand op het hart: écht niet. Ik ben compleet frigide als het op roem en de hele rock-'n-roll lifestyle aankomt. Het enige wat me interesseert, zijn mijn songs. Ik weet dat dit heel verwaand klinkt, en dat veel mensen nu zullen denken: 'Wat een eikel.' Maar het is gewoon niet anders.' Sinds 2005 geeft Damien Rice trouwens helemaal geen interviews meer. De fout van een journalist die informeerde of zijn band met zijn achtergrondzangeres Lisa Hannigan 'puur muzikaal van aard was, of toch iets vleselijker dan dat'. En van een paar roddelbladen die hem aan actrice Renée Zellweger koppelden, voor wie hij naar eigen zeggen 'niets dan diepe vriendschap' voelt. 'Mensen die het goed met me menen, hebben me altijd gezegd dat ik mijn muziek moest promoten', liet Rice nog optekenen in zijn allerlaatste interview, voor hij de deur voor onbepaalde tijd dichttrok en de hoorn definitief van de haak legde. 'Maar misschien kan ik ze maar beter beginnen te beschermen. Misschien moet ik maar tegen iedereen 'fuck off' leren zeggen, op een zo beleefd mogelijke manier.' En zo komt het dat zelfs gerenommeerde wereldbladen als Mojo, Rolling Stone, The New York Times en - fuck de Nieuwe Bescheidenheid! - Focus Knack al jaren tevergeefs naar een Goed Gesprek hengelen. Tegenwoordig zingt Damien Rice alleen nog wat hij te zeggen heeft, maar in zijn geval kan dat gelukkig tellen. Onder meer Morrissey noemt zich een 'vurig bewonderaar' van zijn obsederende teksten, die vaak op het pijnlijke af persoonlijk zijn. In The Animals Were Gone zingt Rice over het leven van een koppel zoals het is, terwijl het anders zou moeten zijn: ' The window's open now / The winter settles in / We call it 'Christmas' / When the adverts begin. ' Uit Coconut Skins onthouden we dat volwassenheid een besmettelijke ziekte is: 'Time is contagious / Everybody's getting old'. En Accidental Babies moet met voorsprong de meest directe en meest hartverscheurende wanhoopskreet zijn die ooit over een driehoeksverhouding werd geschreven: 'Do you really feel alive without me? If so: be free If not: leave him for me Before one of us has accidental babies'Omdat over smaken te redetwisten valt, heeft Damien Rice ook non-believers die zijn teksten 'dodelijk serieus' vinden, of 'miserabilistisch', of 'pathetisch', of erger. Zij dwalen en zij hebben stront in de oren. Net als Cohen en Morrissey verstaat Rice de kunst om in één enkele song tegelijk hartverscheurend eerlijk, bitter, triest, geil, scherp en/of hilarisch grappig te zijn. Cheers Darlin, een dronken scheldtirade aan het adres van een femme fatale, bevat de onsterfelijke regel: 'I've got a beauty queen / to sit not very far from me', waarmee Rice zijn love interest jaloers probeert te maken. Me, My Yole And I lijkt een paar minuten lang over een zenuwinzinking te gaan, tot helemaal aan het einde de - euh - aap uit de mouw komt: 'I'm mad, I'm mad, I'm mad / Like a big dog /'Cause my god, my god, my god / Gave me a rod.'('Rod' is slang voor 'penis', nvdr.) Het refrein van 9 Crimes klinkt geen beetje pervers als je bedenkt dat het nummer over ontrouw gaat: 'Is that alright with you? / I give my gun away when it's loaded / Is that alright with you? / If you don't shoot it, how am I supposed to hold it?' En in The Blowers Daughter lijkt Rice vier minuten en veertig seconden lang te verzuipen in het verdriet om een verloren liefde, tot een nauwelijks hoorbaar zinnetje aan het eind van de song een en ander in een nieuw daglicht stelt: 'I can't take my eyes of you I can't take my mind of you I can't take I can't Until I find somebody new.'En mogen we u dan bij wijze van slot - de pagina's zijn op - nog even liefdevol om de oren slaan met een fragment uit Canonball? 'Stones taught me to fly Life taught me to die Love taught me to lie But it's not hard to grow When you know That you just don't know'Geen dank. Door Wouter Van Driessche