Detroit, 1973. Met hun bandje genaamd Death leggen drie Afro-Amerikaanse broers van rond de twintig in hun slaapkamer in het ouderlijke huis in Little Bridge Street de fundamenten van wat pas enkele jaren later onder impuls van de Ramones en The Sex Pistols een muzikaal begrip zal worden: punk.
...

Detroit, 1973. Met hun bandje genaamd Death leggen drie Afro-Amerikaanse broers van rond de twintig in hun slaapkamer in het ouderlijke huis in Little Bridge Street de fundamenten van wat pas enkele jaren later onder impuls van de Ramones en The Sex Pistols een muzikaal begrip zal worden: punk. Maar omdat de sound van Bobby, Dannis en David Hackney als white-boy music afgeschilderd wordt en hun groepsnaam platenbonzen tegen de borst stuit, wordt Death al begraven voor er zelfs maar één plaat het levenslicht heeft gezien. 'D-E-A-T-H? What's the matter with you? Niemand gaat ooit een album kopen van een groep met zo'n naam', aldus toenmalig producer en labelbaas Don Davis, die in zijn United Sound Systems Recording Studios naast Death onder meer de Rolling Stones, Miles Davis en Aretha Franklin heeft zien passeren. Zo'n dertig jaar na data, in 2008, staan de Hackneys - inmiddels een stuk in de vijftig - plots toch op uit de dood - behalve dan gitarist en grote bezieler David Hackney, die in 2000 aan longkanker is overleden. Een stel vinylverzamelaars is hun enige 7 inch uit 1976 op het spoor gekomen, en al snel werpt bekend volk als Jack White, Henry Rollins, Elijah Wood en Questlove van The Roots zich op als fan. 'De Ramones kregen alle roem voor wat Death hen twee jaar eerder had voorgedaan', aldus die laatste. Drie platen met archiefmateriaal uit de seventies en een docu à la Searching for Sugar Man - over de eveneens uit Detroit afkomstige en al even vergeten folkpionier Rodriguez - hebben Death de voorbije jaren alsnog op de geschiedeniskaart gezet. En nu is er N.E.W., de eerste Death-plaat met nieuw werk sinds de jaren zeventig. En dat heeft zo zijn gevolgen: DANNIS HACKNEY (DRUMMER): Ik heb sinds de herontdekking van Death alvast mijn job bij de kuisploeg van een schooltje in Vermont kunnen opgeven. (lacht) Je moet weten: eind jaren zeventig zijn Bobby en ik in New England gaan wonen, waar we een leven na Death hebben opgebouwd en een plaatselijk vrij succesvolle reggaeband zijn gestart. Eigenlijk stonden we zes, zeven jaar geleden op het punt daarmee een nieuwe plaat op te nemen, maar toen kwam Death uit het niets opnieuw bovendrijven. Dat was surreëel. BOBBY HACKNEY (ZANGER EN BASSIST): Het was vooral een teken van hoop, na jaren van vallen en opstaan. Zowat élke platenfirma ter wereld heeft ons destijds afgewezen, en onze enige single kreeg nauwelijks airplay omdat corporate Amerika de radiozenders in handen begon te nemen en die vol disco stopte. De manier waarop onze muziek toch zijn weg naar de mensen heeft gevonden, is prachtig. Veel artiesten worden pas erkend na hun dood. Maar hey, we'rea band calledDeath and we're still alive. (lacht)BOBBY: Die vraag kwam van Joeys broer, Mickey Leigh. Een hele eer. Na al die jaren opnieuw met Death op een podium staan: that was wild, man. Het was haast alsof we rock- 'n-roll opnieuw ontdekten nadat we er zo lang van afgestapt waren. Heel verfrissend, maar ook heel emotioneel, zo zonder onze broer David. BOBBY: De fans vroegen erom. Toevallig hadden we nog heel wat materiaal uit de jaren zeventig liggen dat in die tijd nooit in de studio is geraakt. Zes songs op N.E.W. zijn nieuwe opnames van dat oude materiaal, de overige vier zijn gloednieuw en zijn vooral jams die onze nieuwe gitarist Bobbie Duncan heeft aangebracht. Al die nummers hebben we opgenomen zoals we dat back in the days deden: met z'n drieën samen, zonder al te veel productioneel gefoefel. BOBBY: In dit digitale tijdperk wil zowat elke artiest zo veel mogelijk laagjes leggen: keyboards, synths... Allemaal goed en wel voor de klank van nu, maar Death is pure, analoge rock-'n-roll, man. DANNIS: Niet dat wij tegen technologie zijn, zolang je die maar niet overdadig gebruikt. Een plaat mixen is als een cake bakken: zoals je voor de perfecte cake de juiste hoeveelheden bloem, eieren en suiker nodig hebt, zo heeft de perfecte plaat de juiste balans nodig tussen de technologie van vandaag en de warme, analoge sound van gisteren. DANNIS: Ik denk niet dat Don ooit een moer om ons gegeven heeft, hoor. BOBBY: Pas op: dat de muziekhistorici ons nu voortdurend de voorlopers van de punk noemen, deed hem wel degelijk iets - in Detroit nemen ze zoiets heel serieus. Toen we hem spraken in het kader van onze documentaire A Band Called Death (2013), heeft hij zélf toegegeven dat alles anders zou zijn gelopen als hij toen had geweten wat hij nu weet. Hoe zou je zelf zijn als je zonder het te beseffen de eerste punkers aller tijden in je studio had zitten maar je hen doodleuk de deur hebt gewezen? (lacht)BOBBY: Nee. Weet je, in de tijd dat wij actief waren, was er van de term punk nog geen sprake in de muziekwereld. Meer nog: als je Dannis, David of mij toen een punk had genoemd, kreeg je twee dingen: een blauw oog en een bloedneus. (lacht) Wij hadden er natuurlijk geen idee van dat onze muziek haar tijd vooruit was. We wilden doen wat MC5, The Who en Led Zeppelin ons voordeden: hard driving beats maken. BOBBY:Crazy! Toen mijn kinderen zagen dat Elijah Wood over ons sprak in de documentaire, was ik in hun ogen plots de coolste vader ter wereld. Ik bedoel: Frodo Baggins himself is fan van Death! (lacht) N.E.W. Uit bij Drag City/V2. DOOR MICHAEL ILEGEMSBOBBY HACKNEY - 'WIJ HADDEN ER GEEN IDEE VAN DAT ONZE MUZIEK HAAR TIJD VOORUIT WAS. WE WILDEN DOEN WAT MC5, THE WHO EN LED ZEPPELIN ONS VOORDDEN: HARD DRIVING BEATS MAKEN.'