De ene zingt, de andere acteert. De ene maakt muziek, de andere theater. De ene staat op de rand van de doorbraak met School Is Cool, de andere kijkt goedkeurend toe. Johannes en Pieter Genard: halfbroers en dubbeltalenten. ‘Geen van ons heeft ooit nog maar overwogen om iets niet-artistieks te doen.’

Daags voor ons interview zijn Johannes (23) en Pieter (35) gaan dineren met de aanstichter van dit gesprek. Vader Genard is apetrots dat zijn zoons hun eerste dubbelinterview geven. ‘Al vroeg hij zich af hoe vaak de frase ‘artistiek nest’ zou vallen.’ Tja, de halfbroers kómen uit een – euhm – kunstzinnig nest.

JOHANNES GENARD:Onsvader, Wilfried Genard, is schilder. Hij heeft nog les gegeven aan Sint-Lucas in Gent: hij leidde er het schildersatelier.

PIETER GENARD: Behalve met onze moeders is hij getrouwd met zijn schildersezel. (Lacht)

JOHANNES: Ik heb zelf ook lang getekend. Tot mijn zestiende was ik er echt van overtuigd dat ik professioneel tekenaar zou worden. Om onduidelijke redenen ben ik er in die periode ineens mee gestopt. Ik begon gitaar te spelen en mijn interesse voor tekenen schoot erbij in. Misschien wel omdat ik voelde dat ik niet meer beter werd of dat ik alleszins niet gemotiveerd genoeg was om nog beter te willen worden.

PIETER: Onze vader is wél echt bezeten door dat schilderen en tekenen. Maar de drang om zich te manifesteren als kunstenaar, waar het in dat wereldje toch op aankomt, heeft hij niet. Jezelf verkopen, en bij uitbreiding je doeken: daar doet hij niet aan mee. Eigenlijk is hij een beetje het archetype van de schilder-kluizenaar.

Terwijl jullie wél podiumspelers zijn.

PIETER: Oh ja. Absoluut. Wat dat betreft vormen de twee Genards die voor je zitten een genetische afwijking. (Lacht) Best ironisch eigenlijk: wij zijn bij uitstek artiesten die de confrontatie met een publiek aangaan.

JOHANNES: Ik zelfs op het compulsieve af. Ik durf vlakaf te zeggen dat ik het podium nódig heb. Dat ik heel bewust de schijnwerpers opzoek en naar de goedkeuring van een publiek hunker. ‘Zie mij graag’: dat verlangen steekt weleens in mij op.

PIETER: Los daarvan hebben we angstaanjagend veel met onze vader gemeen. We hebben allebei een soort primaire creatiedrang van hem geerfd. Zelf is hij continu met zijn handen bezig, altijd iets aan het maken. En die artistieke productiviteit heeft hij bij wijze van spreken rechtstreeks in onze aderen geïnjecteerd.

Het zal wel geen toeval zijn dat jullie naar een Steinerschool zijn gegaan.

PIETER: De keuze voor een Steinerschool is niet rechtstreeks ingegeven door de behoefte aan extra artistieke prikkels, maar heeft vooral te maken met het mensbeeld dat erachter zit. De extra artistieke prikkels zijn daar een bijverschijnsel van. Dat neemt niet weg dat thuis alles in het teken stond van creativiteit. ’s Avonds kregen we huistaken van hem. En bijna al ons speelgoed had hij gemaakt. Om je een idee te geven. (Lacht)

JOHANNES: Ik geloof dat geen van ons beiden nog maar overwogen heeft om iets niet-artistieks te doen. (Lacht) Onze culturele interesse is heel duidelijk een kwestie van nature-nurture: we zijn genetisch voorbestemd om creatief te zijn, maar we zijn ook heel ons leven cultureel gevoed.

Jullie hebben nooit de drang gevoeld om uit die culturele cocon te breken?

PIETER: Neen, net omdat de vrijheid waarnaar zo veel adolescenten verlangen voor ons altijd een evidentie is geweest. De meesten van mijn vakbroeders – acteurs, theatermakers, regisseurs – hebben met hun ouders een gevecht moeten leveren om drama te studeren. Bij ons was het net omgekeerd: onze vader zou raar hebben opgekeken als we pakweg rechten gingen studeren.

JOHANNES: Ja, maar hij stond wel achter me toen ik voor filosofie koos. Ik wist dat ik muzikant wilde worden, maar geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht daarvoor te studeren. Zo’n Rockacademie: ik zie daar het nut niet van in. Gitaar spelen, zingen: dat moet je allemaal zelf leren.

PYRENEEËNRIT

Hoe close kunnen twee halfbroers zijn die twaalf jaar met elkaar verschillen?

JOHANNES: Best close, al heeft dat leeftijdsverschil lang in de weg gestaan. We lopen elkaars deur niet plat, maar we hebben geen kille, afstandelijke relatie. Toch?

PIETER: Neen, helemaal niet.

JOHANNES: Laten we zeggen dat ik hem als kind en tiener voornamelijk zag op familiefeesten. Zodra de ‘oudere’ kinderen iets gingen drinken, viel ik ertussenuit.

PIETER: Het klopt wel dat het leeftijdsverschil een onoverbrugbare kloof geslagen heeft. Ik bedoel: toen hij werd geboren, ging ik al naar het middelbaar. We woonden wel een aantal dagen per week samen bij mijn vader – pardon: onze vader. Maar omdat hij zo veel jonger was dan ik, hadden we niet écht contact. Logisch ook: tegen de tijd dat hij een volwaardige gesprekspartner voor mij werd, was ik al het huis uit. Uiteraard: hoe ouder we worden, hoe meer we nivelleren. Hij haalt mij in.

Wanneer is die toenadering begonnen?

PIETER: Toen hij twaalf was en dus stilaan tot de jaren des verstands kwam. (Lacht)

JOHANNES: Bwah, toen was ik nog een snotneus, hoor. Ik keek heel erg naar Pieter op. Hij studeerde in Brussel, speelde mee in toneelstukken: dat maakte indruk op mij.

PIETER: Ik werd in die periode plots overvallen door de gedachte: ‘Ik heb een broer van twaalf en ik ken die gast niet eens.’ Ik voelde echt de aandrang om een band met hem op te bouwen. En dus besloot ik hem mee te nemen op een trektocht door de Pyreneeën. Een kleine week zijn we samen met de rugzak door de bergen getrokken: een fantastische tocht, en ik denk onze mooiste gemeenschappelijke ervaring tot nog toe.

JOHANNES: Absoluut. Maar vraag me niet waarom: mij blijft toch vooral bij dat ik toen voor het eerst in mijn leven Orangina heb gedronken. Dát en de fysieke uitputting, want hij heeft me stevig doen afzien. Dus toch een beetje de grote broer die wilde tonen hoe groot en sterk hij wel was. (Lacht) Al was hij wel zo lief om mijn rugzak te dragen als ik niet meer kon.

PIETER: Als ik de jongen van toen met de volwassen man van nu vergelijk, besef ik toch met een schokje hoe snel het sindsdien is gegaan. Wat hij alleen al de voorbije twee jaar heeft opgebouwd met School Is Cool: daar doe ik mijn hoed voor af. Ik kan dat alleen met bewondering gadeslaan. Hij heeft op een veel kortere tijd al veel meer gerealiseerd dan ik.

JOHANNES: (Gegeneerd) Dat het zo snel is gegaan, heeft ook veel met geluk te maken.

Jullie hebben allebei iets met muziek, want Pieter heeft met Braakland/ ZheBilding ook al heel wat muziektheater gemaakt.

JOHANNES: Die liefde voor muziek is ongetwijfeld ontstaan tijdens de muzische vorming op de Steinerschool. Hoewel het er al vroeger inzat. Ik herinner me een filmpje waarin wij tweeen thuis een maf piratennummer zingen : ik ben zo klein dat Pieter op mijn xylofoon de noten die ik niet mag aanslaan eraf heeft gehaald. Ik geloof ook dat er een filmpje bestaat waarin jij bluesharp speelt en ik dans. (Lacht)

PIETER: Ik heb als tiener véél muziek gespeeld. Alleen is het met mijn interesse voor muziek gegaan zoals met Johannes’ interesse voor tekenen. Ik ben zo’n beetje op de grenzen van mijn eigen luiheid gebotst. (Lacht)

PETER PAN

Wellicht je bekendste rol tot nog toe was in ‘Dagen zonder lief’, de film van Felix Van Groeningen over de Pampergeneratie. Rekenen jullie zichzelf ook tot die ‘ jeunesse dorée’?

PIETER: Zonder twijfel. Wij behoren als kinderen van de babyboomers niet alleen tot een generatie die is opgegroeid in weelde en luxe, we hadden ook nog eens het privilege om een heel vrije, ongedwongen en artistieke opvoeding te genieten. Natúúrlijk zijn we verwend. Ik zou daar zelfs liever niet op ingaan, want in zekere zin schaam ik mij daar een beetje voor. (Grijnst)

Proberen jullie ook, zoals in de film, het volwassen leven uit te stellen?

PIETER: Ik voel toch dat ik mij blijf verzetten tegen een gesetteld leven. Iets in mij klampt zich vast aan de vrijheid van een ongebonden bestaan, zonder kinderen of verantwoordelijkheden.

JOHANNES: Mijn keuze om muzikant te worden zal daar ook wel mee te maken hebben. Wat doet een muzikant anders dan zich zo lang mogelijk aan zijn jeugd vastklampen? Het is het ultieme Peter Panberoep. Al moet je als muzikant wel meegaan met je leeftijd, vind ik. Krampachtig proberen jong te blijven, zoals de Stones, vind ik gewoon zielig. Op je zestigste nog staan roepen van ‘I can’t get no satisfaction’: hoe treurig is dat niet? Die gasten zijn al vijftig keer binnen.

PIETER: Maar misschien nog altijd niet bevredigd?

JOHANNES: (Lacht) Ik betwijfel het. De muziek die we nu maken met School Is Cool zie ik me over dertig jaar ook niet meer op een podium brengen, hoor. Ik bedoel: zie je mij al zingen over ‘new kids in town’ met grijs haar en een bierbuik? (Hilariteit) Iemand als Tom Van Laere heeft dat goed bekeken: hij heeft zich als muzikant van meet af aan ingeschreven in een singer-songwritertraditie. Die kan op zijn 65e nog altijd geloofwaardig zijn huidige nummers spelen.

Johannes, jij studeert filosofie en je lijkt daar tegelijk mee te pronken én te lachen. Een filmpje op jullie website zit bijvoorbeeld tjokvol verwijzingen naar Sartre, Heidegger en andere denkers. Geen schrik om voor wijsneus versleten te worden?

JOHANNES: Goh, ik ga er gewoon heel erg in op. Door alle drukte met School Is Cool ben ik nog altijd met mijn derde jaar bezig, maar ik ben vastberaden om die studie af te maken. Ik vind filosofie ontzettend interessant en belangrijk. Voor het begon te lopen met School Is Cool was het plan zelfs om leraar filosofie te worden. Ik had mijn zinnen gezet op een filosofiediploma en een aggregaat, want mijn beperkte intellectuele capaciteiten staan helaas niet toe dat ik later ga doctoreren. (Lacht)

PIETER: Daarin verschillen we toch, want ik wilde na het Conservatorium net géén aggregaat halen. Het is makkelijk om als artiest in het onderwijs te stappen, maar niet om er weer uit te raken. Ik heb genoeg collega’s in die val zien trappen. Ik heb bewust niet voor zo’n vangnet gezorgd.

JOHANNES: Alsof je een diploma filosofie een vangnet kunt noemen. (Lacht) Wat mij aanspreekt, is dat die opleiding net geen enkel economisch nut heeft. Filosofie staat tussen kunst en wetenschap. Filosofie is een manier om in het leven te staan… (Onderbreekt zichzelf) Nee-nee-nee, schrap dat maar. ‘Een manier om in het leven te staan’: djeezes, wat klinkt dat fucking pedant! Dus ja: het is soms gevaarlijk om het hardop over filosofie te hebben. (Lacht)

Jullie debuutplaat luistert zelfs naar de titel ‘Entropology’. Snel even testen: Pieter, weet jij wat dat betekent?

PIETER: Volgens mij heeft het te maken met de logos van het verval.

Euhm…

JOHANNES: Zoiets, ja. De term heb ik zelf uitgevonden, maar hij verwijst naar entropie, wat zoveel betekent als ontaarding, desintegratie, verval. De songs gáán daar ook over. Achteraf heb ik ontdekt dat de Franse filosoof Claude Levi-Strauss de term ‘entropology’ gebruikt voor zijn theorie over cultural levelling, wat toch wel een interessante dimensie geeft aan onze plaat. Godver, hoor mij weer bezig! Klink ik weer niet te pedant?

PIETER: Ik moet ineens denken aan een nummer van Ben Lee, I Love Pop Music, waarin popmuziek wordt omschreven als ‘politics you can romance to’ en ‘philosophy you can dance to’. Vreselijk nummer, maar ik snap de achterliggende gedachte wel. In het beste geval brengt popmuziek een boodschap over, brengt het je tot een nieuw inzicht. (Bedenkt zich) Of misschien ook niet. Shit, nu ben ik degene die pedant klinkt.

VINCENT BYLOO – FOTO KOEN KEPPENS

PIETER GENARD: ‘WAT JOHANNES MET SCHOOL IS COOL HEEFT GEDAAN, DAAR DOE IK MIJN HOED VOOR AF. ‘

JOHANNES GENARD: ‘ALS SNOTNEUS VAN TWAALF KEEK IK HEEL ERG NAAR PIETER OP: HIJ SPEELDE TONEEL.’

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content