Earle C. Kenton, 1933
...

Earle C. Kenton, 1933 Don Taylor, GB 1977 John Frankenheimer, VS 1996 James Whale, VS 1933 Orson Welles, VS 1938 (radio) Byron Haskin, GB 1953 Nathan Juran, VS 1964 Bert I. Gordon, VS 1965 Bert I. Gordon, VS 1976 William Cameron Menzies, GB 1936 George McCowan, CAN 1979 Bert I. Gordon, VS 1977 Rod Taylor is de wetenschapper die dankzij een maffe teletijdsmachine 802.701 jaren in de toekomst wordt geslingerd. Op het eerste gezicht belandt hij er pardoes in een nichtenbal met Oud-Griekenland als thema, maar al snel dringt de ernst van de zaak tot hem door: hij moet de vredelievende stam der Eloi leiden in een opstand tegen de monsterlijke Morlocks. Wells' hekelende analyse van de Britse klassenmaatschappij verdwijnt compleet achter oscarwinnende special effects en decors die vandaag (amper) als über-kitsch overeind blijven. Malcolm McDowell speelt een geïnspireerde H. G. Wells die Jack the Ripper achternagaat wanneer die via The Time Machine in de 20e eeuw belandt en het op een hedendaagse suffragette (Mary Steenburgen) heeft gemunt. Deze uitzinnige plot, een amalgaam van elementen uit Wells' bewogen leven en kunst, is geheel en al de fun in een voor het overige behoorlijk gedateerde zaak. In 1992 trok de titel The Erotic Time Machine de meeste aandacht, maar het opmerkelijkst was misschien Shekhar Kapurs onvoltooide adaptatie geweest. Het werd 10 jaar wachten tot Wells' achterkleinzoon een grootschalig eerbetoon opzette. De arme drommel ging echter onder zoveel druk door de knieën en Verbinski mocht de zaak verder verknoeien in een blockbuster- remake die net als Pals versie enkel aanspraak maakt op absolute fake. Guy Pearce loopt verdwaald in het onmogelijke jaar 802.701, en dat terwijl een kort oponthoud in eenentwintigste-eeuws Manhattan nog veel beloofde. Kandidaat nummer één voor de titel van beste Wells-adaptatie (naar The Island of Dr. Moreau), een tijdloze klassieker van de fantastische cinema, met een uitzonderlijke Charles Laughton in de hoofdrol. Het verhaal over een mad scientist die op een afgelegen eiland mens en dier aan gentechnologische fusie onderwerpt en als een dictator over de arme schepsels heerst, is wellicht een weinig te veel van het goede, maar bulkt visueel van sfeer en spanning. In 1959 was er al Terror is a Man, beter bekend als Blood Creature, en in 1973 The Twilight People, maar in geen van beide films kreeg Wells een credit. Taylor maakte een einde aan het plagiaat, maar wist met Wells' donkere thematiek weinig aan te vangen toen hij Burt Lancaster, Michael York en Barbara Carrera wist te strikken voor deze groots opgezette publieksfilm. Potsierlijke, derde verfilming van Wells' werk, begonnen door Richard Stanley ( Hardware) en voltooid door John Frankenheimer. Marlon Brando's verschijning - 'I have seen the Devil in my microscope, and I have chained him'! - en die van zijn lethargische sidekick Val Kilmer zijn vaak angstaanjagender dan die van de hybride mens-diercreaturen die SFX-tovenaar Stan Winston wist te creëren. Een tweede kandidaat voor de beste Wells-verfilming, deze intense, sardonische en tragische chiller over een wetenschapper die via experimenten met de drug monocaïne onzichtbaar wordt. Claude Rains, pas helemaal op het einde even zichtbaar, maakt virtuoos gebruik van zijn hemelse stem om de mentale breakdown van de wetenschapper uit te beelden. John P. Fultons buitengewone special effects en een kenmerkend sfeervolle regie van Whale deden de rest. Op 30 oktober 1938, in de vroege morgen, leidde Welles, die zelf verscheidene rollen voor zijn rekening nam, zijn Mercury Theatre in het radioprogramma 'The Mercury Theatre On The Air' naar de onsterfelijkheid. Het hoorspel dat Welles in elkaar stak op basis van Wells' roman en dat uitgezonden werd door WABC en Columbia Broadcasting Systems nationale netwerk, was erg realistisch geconcipieerd en maakte zo volmaakt gebruik van cinematografische klanktechnieken dat lichtgelovig Amerika dacht dat de Martiaanse invasie een feit was. Gevolg: een massahysterie zoals er zelden een in de moderne geschiedenis werd opgetekend. Watertorens werden lek geschoten, atoombunkers liepen vol en kerken liepen leeg, er ontstonden monsterfiles... En Welles? Hij verontschuldigde zich. Later zou hij tijdens een autorit toevallig de oude Wells kruisen, waarna de twee een leuke namiddag doorbrachten en in 1940 samen nog een radioshow maakten: 'HG Wells Meets Orson Welles'. Tijdloze special effects zijn vandaag de voornaamste troef van deze Amerikaanse update van Wells' apocalyptische meesterwerk, gesitueerd in het San Francisco van de jaren '50 in plaats van in het Londen van 1890. Hele steden worden visueel efficiënt platgewalst, de dodelijke stralen zijn gifgroen en de Martianen eenogige lelijkerds. Biologische oorlogsvoering brengt soelaas, helaas niet tegen stroef acteerwerk, obligate romance en religieus gewauwel. Sommigen beweren dat George Méliès, filmpionier van het fantastische, in zijn Voyage dans la lune Wells' invloed chauvinistisch miskende, en pas in 1919 waagden Bruce Gordon & J. L. V. Leigh zich aan een verfilming. Jurans versie is echter de meest ambitieuze, meteen ook de meest lusteloze. Lionel Jeffries zet voet op de maan met een bedroevend kort 'Hello, Moon!', waarna een verfomfaaide Union Jack en een briefje uit 1899 hem aan het denken zet. Wells' absurde hypothese van een bewoonde maan wordt aardig gecounterd door special effects van de legendarische Ray Harryhausen, die hier een gigantische duizendpoot en een stel gemene reuzenkevers opvoert. De man die verantwoordelijk was voor onvergetelijke SF-parels als The Amazing Colossal Man en Earth vs. The Spider, en Mr. B.I.G. werd genoemd omwille van zijn freudiaans te verklaren obsessie voor het gigantische, zou zich maar liefst tweemaal vergrijpen aan Wells' roman uit 1906, The Food of the Gods (eigenlijk twee en een halve keer, want The Empire of the Ants neemt meer een loopje met TFOTG dan met het originele korte verhaal). Niemand minder dan Ron 'A Beautiful Mind' Howard speelt de genaamde Genius die het zogenaamde 'goop' ontdekt waardoor een stel tieners in een oogwenk reuzen worden. Een sportieve kerel, die een vaderlijk advies over de weerwraak van de natuur negeert, gaat met een stel vrienden jagen op een afgelegen Canadees eiland. Een zwerm reuzenwespen vergalt echter hun plezier, en als onze held op een boerderij hulp zoekt, krijgt het woord 'kippenvel' alras een nieuwe betekenis. In paats van reuzentieners offreert dit abominabel schouwspel kolossale kippen, ratten en wespen die zich tegoed doen aan een overwegend demente menselijke bevolking. In een bijrol, als eigenares van de boerderij waar een vies goedje dat uit de grond komt opgeweld op flessen wordt getrokken en 'The Food of the Gods' wordt gelabeld, herkent niemand nog actrice en regisseuse Ida Lupino. Damian Lee zou in 1989 een sequel regisseren, Gnaw:Food of the Gods II. Wells vond Fritz Langs Metropolis maar niks en kreeg van producer Alexander Korda carte blanche om een filmversie van zijn eigen boek te schrijven. Het resultaat was een visueel spectaculaire, profetische SF-film, met briljante production design, maar onderontwikkelde ideeën. Hulpeloos rondstuiterende remake die 50 jaar later dan Wells' roman speelt en nauwelijks besef van tijd of ruimte vertoont. Wells' The Empire of the Ants and Other Stories uit 1925 was de basis voor deze 'klassieker' van de ecologische schlockfests uit de jaren '70, opnieuw geregisseerd door Wells-fanaat Gordon. Een lachwekkend festijn van wetenschappelijke nonsens en laaghartige mensenfiguren, aanstekelijk geleid door die-hard villain Joan Collins. Bram Van Moorhem