ZONDER DAVID BOWIE GEEN HOT VAN JAMES BROWN MOGEN OOK DANK U ZEGGEN: PUFF DADDY, JAY Z, PUBLIC ENEMY, EPMD EN LADY GAGA

Soul- en funklegende James Brown moet zowat de meest gesamplede artiest in de muziekgeschiedenis zijn, maar voor de riff van zijn single Hot (I Need to Be Loved, Loved, Loved) speelde mister Dynamite zelf leentjebuur, bij Bowies single Fame, uit zijn plastic soul-periode. Fame verscheen in de zomer van 1975, Hot pas eind datzelfde jaar. Gitarist Carlos Alomar had zich voor de riff van Fame gebaseerd op Footstompin' van de obscure doowopband The Flairs. Een cover van die song hadden Bowie en zijn band in 1974 al eens live gespeeld in de toen immens populaire Dick Cavett Show. De kans is groot dat James Brown die bewuste avond voor de buis zat. Ironisch genoeg is Fame de meest gesamplede song uit Bowies hele catalogus. Onder meer Puff Daddy, Jay Z, Public Enemy, EPMD, Lady Gaga en Ice Cube maakten er gebruik van. Overigens, gitarist Alomar had voor hij bij Bowie terechtkwam in de begeleidingsband van James Brown gespeeld. Met de zwarte soul die Bowie inspireerde op Fame en het album Young Americans (1975) is de cirkel ook nog eens mooi rond.
...

Soul- en funklegende James Brown moet zowat de meest gesamplede artiest in de muziekgeschiedenis zijn, maar voor de riff van zijn single Hot (I Need to Be Loved, Loved, Loved) speelde mister Dynamite zelf leentjebuur, bij Bowies single Fame, uit zijn plastic soul-periode. Fame verscheen in de zomer van 1975, Hot pas eind datzelfde jaar. Gitarist Carlos Alomar had zich voor de riff van Fame gebaseerd op Footstompin' van de obscure doowopband The Flairs. Een cover van die song hadden Bowie en zijn band in 1974 al eens live gespeeld in de toen immens populaire Dick Cavett Show. De kans is groot dat James Brown die bewuste avond voor de buis zat. Ironisch genoeg is Fame de meest gesamplede song uit Bowies hele catalogus. Onder meer Puff Daddy, Jay Z, Public Enemy, EPMD, Lady Gaga en Ice Cube maakten er gebruik van. Overigens, gitarist Alomar had voor hij bij Bowie terechtkwam in de begeleidingsband van James Brown gespeeld. Met de zwarte soul die Bowie inspireerde op Fame en het album Young Americans (1975) is de cirkel ook nog eens mooi rond. 'From station to station / Back to Düsseldorf City / Meet Iggy Pop and David Bowie', klinkt het in Trans-Europe Express, van het gelijknamige Kraftwerk-album uit 1977, hetzelfde jaar waarin Bowie Low, het eerste deel van zijn Berlijnse trilogie, uitbracht. Dat Bowie zich in die periode liet inspireren door Kraftwerk en andere Duitse bands, zoals Cluster en Harmonia, is algemeen geweten. Maar de bewondering was dus wederzijds. Toen Kraftwerk in 1976 op audiëntie ging bij de Thin White Duke waren Ralf Hütter en co. maar wat blij met diens blijken van appreciatie. Kraftwerk was namelijk op zijn beurt beïnvloed door Roxy Music en de soloalbums van Brian Eno, ex-Roxy Music én Bowie-producer. Bovendien was Hütter, die de tekst schreef voor Trans-Europe Express, grote fan van The Stooges, de band van Iggy Pop. Vijf jaar later verwerkte hiphoppionier Afrika Bambaata hele lappen uit Trans-Europe Express in Planet Rock, de single die algemeen beschouwd wordt als het uur nul van het electrogenre. Tot 1990 was Vanilla Ice een blanke breakdancer en rapper van niet zo grote faam. Dat veranderde drastisch na de release van de single Play That Funky Music, vooral door het b-kantje, Ice Ice Baby. De baslijn en pianomelodie voor die Amerikaanse nummer 1-hit haalde hij bij Under Pressure, een hit voor Queen en David Bowie in 1981. Toestemming voor de sample had Ice niet, en dus mocht hij het gaan uitleggen in de rechtbank. Later zag hij zich nog meer inkomsten door de neus geboord, toen hiphopdon Suge Knight zich onder bedreiging een deel van de publishingrechten toe-eigende, en met die dollars het label Death Row Records uit de grond stampte. Zonder Bowie dus geen Tupac Shakur. Maar zonder Lou Reed ook geen Ziggy Stardust. De indruk die Lou Reed eind jaren 60 met The Velvet Underground op Bowie maakte, inspireerde deels zijn transformatie van androgyne hippie naar het buitenaardse en buitensporige personage Ziggy Stardust. Toen Reed in 1969 de Velvets verliet, raakte zijn carrière in het slop. Bowie besloot zijn oude held een handje toe te steken en producete, samen met zijn gitarist Mick Ronson, Reeds tweede soloalbum Transformer (1972). De legendarische hoesfoto van die plaat is trouwens van de hand van Mick Rock, Bowies huisfotograaf, die ook de clips regisseerde voor onder meer Life on Mars en John, I'm Only Dancing. In 1981 scoorden de rockabilly's van The Polecats een bescheiden hit met hun cover van John, I'm Only Dancing. Gitarist was ene Martin 'Boz' Boorer, die later als gitarist, musical director en songschrijfpartner aan de slag ging bij Morrissey. Diens soloalbum Your Arsenal (1989) werd overigens geproducet door Mick Ronson. In 1971 stond de Britse cultband Mott the Hoople op splitten. Na vier albums was het vet van de soep, en groepsleden en publiek verloren interesse. Tot fan van het eerste uur Bowie zich met hun toekomst bemoeide. Hij bood hen een nog onuitgegeven song aan, Suffragette City (later terug te vinden op Ziggy Stardust), maar toen de groep bedankte voor de eer schreef Bowie snel een song op bestelling: All the Young Dudes werd in 1972 een dikke hit. Met het gelijknamige, door Bowie geproducete album stond Mott the Hoople niet alleen terug op de rails, de groep ging ook de muziekgeschiedenis in als voorvaders van de glamrock. Ene Noel Gallagher vond 25 jaar later bij All the Young Dudes inspiratie voor de Oasissingle Stand by Me. Én voor de originele tekst van Whatever, waarin sprake was van 'All the young blues carry the news'. Toen Bowie in Amerika The Stooges leerde kennen, vond hij in Iggy Pop een gelijkgestemde ziel en een voorbeeld. Toen Bowie de songs voor hun derde album Raw Power (1973) - Kurt Cobains favoriete album - probeerde op te lappen waren The Stooges op sterven na dood, en was Iggy zwaar aan heroïne verslaafd. In 1976 nam Bowie zijn aan lager wal geraakte buddy mee op de Station to Station-tournee, en redde zo - hoewel zelf zwaar verslaafd - waarschijnlijk diens leven. Het duo belandde in Berlijn, waar ze samen de Iggy Pop-albums The Idiot en Lust for Life maakten en Iggy, de enige echte Lazarus, aan een tweede leven kon beginnen. Zonder Bowie dus geen klassiekers als The Passenger, Nightclubbing (uitstekend gecoverd door Grace Jones) of Lust for Life, en dus geen legendarische begingeneriek van Trainspotting. En geen Dum Dum Girls, het Amerikaanse meidencombo dat zichzelf naar de Idiot-song Dum Dum Boys noemde. Met de release van Lust for Life lachte Iggy de wereld opnieuw toe - kijk maar naar de hoes - en vice versa. Tot Elvis Presley stierf en platenfirma RCA alle aandacht en fondsen op de nalatenschap van de King richtte. Iggy zonk weg in de anonimiteit en in een depressie. In 1983 was Bowie opnieuw een reddende engel: zijn versies van China Girl en Tonight, nummers van The Idiot en Lust for Life, hielden Iggy financieel boven water tot hij eind jaren 80 herrees, niet voor het eerst en niet voor het laatst. 'Davids vriendschap was het licht van mijn leven', liet Iggy via Twitter weten na Bowies overlijden. En dat mag u heel letterlijk nemen. Tony Scott - wijlen de broer van Ridley - was een Brits reclameregisseur voor hij aan The Hunger (1983) begon, een vampierenfilm met Bowie, Susan Sarandon en Catherine Deneuve in de hoofdrollen. De prent is geen meesterwerk, maar viel op dankzij Bowie als aftakelende bloedbank en dankzij de doorgedreven blitse esthetiek. Die werd wel gesmaakt door het Amerikaanse producersduo Don Simpson en Jerry Bruckheimer, die Scott de regisseursstoel van Top Gun (1986) aanboden. De soundtrack van Top Gun werd geschreven door Giorgio Moroder, de producer die in 1977 met I Feel Love van Donna Summer een grote indruk had gemaakt op Bowie en vooral op producer Brian Eno, die er 'de toekomst van de muziek' in hoorde toen hij en Bowie in Berlijn aan Low werkten. In 1982, vóór The Hunger en Top Gun, hadden Bowie en Moroder samengewerkt aan Cat People (Putting Out Fire), de titelsong van Cat People, geregisseerd door Paul Schrader. Die noemt als een van zijn favoriete films vaak Performance (1970), een film met Mick Jagger van regisseur Nicolas Roeg, die in 1976 dan weer The Man Who Fell to Earth maakte, met in de hoofdrol David Bowie. DOOR JONAS BOEL