Twee jaar geleden maakte Marc Sleen met zijn Nero als enige Vlaming deel uit van Maîtres de la bande dessinée européenne, een grootse tentoonstelling samengesteld door Thierry Groensteen, toen nog directeur van het Franse stripmuseum CNBDI en de meest eminente striptheoreticus van Europa. Eén Vlaming, tegenover 23 Fransen en zes francofone Belgen, er zijn al voor mindere zaken Guldensporenslagen uitgevochten. Maar als er dan toch maar één Vlaming in het walhalla van de groten mocht komen, dan was Sleen geen onlogische keuze. Want wat hij na een gouden periode in de jaren vijftig en zestig aan commercieel succes moest inboeten, won hij door zijn consistente oeuvre aan artistiek respect terug. Niet alleen bij een slinkend maar trouw publiek van krantenlezers, maar blijkbaar ook tot ver voorbij de landsgrenzen. Even op een rij: tien redenen waarom Nero een plaats in de strip- Hall of Fame verdient.
...

Twee jaar geleden maakte Marc Sleen met zijn Nero als enige Vlaming deel uit van Maîtres de la bande dessinée européenne, een grootse tentoonstelling samengesteld door Thierry Groensteen, toen nog directeur van het Franse stripmuseum CNBDI en de meest eminente striptheoreticus van Europa. Eén Vlaming, tegenover 23 Fransen en zes francofone Belgen, er zijn al voor mindere zaken Guldensporenslagen uitgevochten. Maar als er dan toch maar één Vlaming in het walhalla van de groten mocht komen, dan was Sleen geen onlogische keuze. Want wat hij na een gouden periode in de jaren vijftig en zestig aan commercieel succes moest inboeten, won hij door zijn consistente oeuvre aan artistiek respect terug. Niet alleen bij een slinkend maar trouw publiek van krantenlezers, maar blijkbaar ook tot ver voorbij de landsgrenzen. Even op een rij: tien redenen waarom Nero een plaats in de strip- Hall of Fame verdient. Sleens verhalen zijn van een hoogst persoonlijke spontaneïteit, een maar licht bijgestuurde écriture automatique, die Sleen, zelfs als hij het wilde, niet kon veranderen. Als een oeuvre zo organisch ontstaat, is het onvermijdelijk dat het veel verklapt over de auteur ervan. Zeker in het begin kon je uit De avonturen van Nero en co. gemakkelijk afleiden waar Sleen mee bezig was. Zo draaien veel vroege Nero-verhalen om geld. Nero wordt geregeld steenrijk, door erfenissen ( De erfenis van Nero), door een oliebron ( De zoon van Nero), door diamanten ( Kangoeroe-eiland, Het knalgele koffertje) of door een konijnenkwekerij ( De daverende pitteleer). Hij gaat erg gul om met zijn fortuinen, waardoor hij snel weer blut is, maar kan ook erg egoïstisch op zoek gaan naar nieuwe schatten. In De blauwe toekan lijkt het er zelfs even op dat Nero zijn vrienden in de steek zal laten om een schat in veiligheid te brengen. Volgens Sleen zelf komt geld of goud geregeld terug in de beginjaren omdat hij toen zelf erg hard werkte om zoveel mogelijk geld te verdienen. Ook de dood duikt vaak op. Niet alleen als het personage Pietje de Dood ( De ring van Petatje), maar vooral als een obstakel dat overwonnen moet worden. Nero zelf heeft in totaal een keer of vier door levenselixirs de onsterfelijkheid verworven, en ook Van Zwam is al eens uit de doden gered. Al van voor zijn safari's tekende Sleen graag de Afrikaanse wildernis. Geen enkele Vlaamse tekenaar heeft zo vaak en zo gevarieerd het oerwoud als decor gebruikt. Hij tekent dieren waar andere mensen het bestaan niet van vermoeden. Zijn leeuwen zijn loebassen die met de leeuwen van niemand anders te vergelijken zijn, zijn olifanten zien er intelligenter uit dan die van anderen en de alomtegenwoordige primitieve volksstammen praten gesofisticeerde diplomatentaal, maar houden evenzeer vast aan hun oude tradities, zoals strooien rokjes en kannibalisme. Nero-verhalen drijven op twee factoren: toevallige gebeurtenissen en vreemde personages. Die personages zijn vaak nevenfiguren die het verhaal sturen - zoals het groene mannetje Kweetnie in het gelijknamige verhaal of Bompanero, de grijsaard met de mooie jonge vrouwen in de Bompanero-trilogie -, maar ook de vaste cast is allerminst alledaags. Neem nu Nero zelf. Hoewel hij af en toe een rake klap kan uitdelen en meestal in de bres springt voor zijn vrienden in nood, heeft hij eigenlijk niks van een held. Een wat gezette man van middelbare leeftijd, die onder de knoet wordt gehouden door zijn vrouw en het liefst nog in een fauteuil een krant zit te lezen. Of madam Pheip, in veel vroege verhalen Nero's vaste gezel op zijn reizen, hoewel ze allebei braafjes met een ander waren getrouwd: een pijprokende matrone die minder snel bang is dan Nero en haar tabak gebruikt als wapen. Of Abraham Tuizentfloot, de kierewiete kaperkapitein die sinds De granaatslikker uit 1957 'aha!' gilt en menige nietsvermoedende voorbijganger in de billen prikt met zijn sabel. Tuizentfloot is niet het enige personage dat écht een slag van de molen heeft gekregen. Het aandeel psychiatrische gevallen in de cast van Nero overtreft wellicht dat van alle andere strips. Nero zelf kreeg zijn naam omdat hij in het allereerste verhaal, Het geheim van Matsuoka, in de waan verkeerde dat hij keizer Nero was. Zijn geestelijke toestand blijft overigens wankel: een klap op zijn hoofd kan hem in De draak van halfzeven het waanidee bezorgen dat hij Napoleon is. Enige megalomanie is hem niet vreemd. Vlaanderen is de bakermat van de verhalende en grappige krantenstrips in twee stroken per dag. Maar geen enkele andere Vlaamse dagbladstrip kun je met zoveel reden een echte krantenstrip noemen als Nero. De meeste Vlaamse strips die na 1945 in dagelijkse porties in de krant verschenen, vertoonden in hun beginperiode typische feuilletonkenmerken. Ook in Suske en Wiske werd in den beginne in het eerste prentje van de dag wel eens samengevat wat er de vorige dag was gebeurd. En ook Willy Vandersteen verwerkte vaak allusies op de politieke actualiteit in zijn verhalen. Maar Vandersteen en co. begonnen na verloop van tijd direct voor de succesvolle albummarkt te schrijven, door het verhaal vooraf netjes op te bouwen en geen of weinig rekening meer te houden met het tussenstadium van de krantenpublicatie. Verwijzingen naar de actualiteit werden zelfs uit de albums geweerd. Sleen is daarentegen altijd voor de krant blijven schrijven. Zelfs zijn allerlaatste verhalen hebben nog dat ritme van een halve bladzijde per keer, met eventueel een samenvatting van gisteren en een cliffhanger op het eind. De verhalen meanderen zo vrolijk voort, zonder een vaste structuur die de ideale spanningsboog moet creëren. De albums waren altijd een nevenproduct, waarin de politieke allusies netjes bleven staan. Het lijkt dan ook geen toeval dat Sleens albums het best verkochten in de periode dat ze voor een schamele vijftien frank te koop waren in een eenkleurige druk op flodderig papier, alsof ze hun natuurlijke biotoop van de krant niet al te veel mochten ontgroeien. Als je bij hem op bezoek gaat voor een interview, moet je al voor je eerste glas champagne bij het zwembad antwoorden op een prangende vraag, die voor het verdere verloop van het interview cruciaal is: of je zijn strip volgt in de krant. Het lopende verhaal in de krant is het enige waarvan hij wil horen dat het fantastisch is, hoeveel strips je van hem ook hebt gelezen. Sleen krijgt vaak te horen dat je dankzij de verwijzingen naar de politiek een hele geschiedenis van het naoorlogse België kan samenstellen door alle Nero's uit te pluizen. Bescheiden als hij is, antwoordt hij daar dan op: 'Niet alleen van België, van de hele wereld.' En gelijk heeft hij. Van de Koningskwestie, het paarse kabinet van de jaren vijftig, de Congocrisis en Dehaene bij het frietkot van Jan Spier, tot de Koude Oorlog, de herrie om het Suezkanaal en hommeles achter het IJzeren gordijn, alles vond zijn weg naar de Nero-verhalen. Vaak liet Sleen de actualiteit het verloop van zijn verhalen mee bepalen, zoals in De ijzeren kolonel. Zoals de meeste auteurs die voor een krant tekenen, heeft Sleen zijn verhalen geschreven voor de krantenlezer, van jong tot oud. Maar terwijl andere krantenstrips zich na verloop van tijd meer gingen richten op het lucratieve publiek van kinderen en jongeren, is dat met De avonturen van Nero nooit gebeurd. Door de band met de actualiteit, door de absurde humor en de cast van middelbare leeftijd is Nero nooit een strip voor kinderen geworden. Sleen had het misschien wel anders gewild, maar hij bleef schrijven voor de volwassen krantenlezer. De allereerste verhalen van Nero tonen nog een charmante maar onbeholpen grafiek die in 2002 niet meer zou worden geduld, zelfs niet voor een beginnende krantenstrip. In de jaren vijftig bereikt Sleen zijn eigen stijl, een elastische, schematische maar ook consistente lijnvoering, waar nog voldoende frisheid in zit. Later zou zijn stijl wat gaan verstarren, en in de jaren zeventig en tachtig iets te diagrammatisch worden. Ook de komst van Dirk Stallaert in 1992, die volgens sommigen een nieuw grafisch hoogtepunt voor Nero inluidt, kan de Sleen van de jaren vijftig niet terugbrengen, gewoon omdat Stallaert Sleen niet is en een maniakaal perfectionisme tentoonspreidt dat niet bijster goed past bij de chaotische verhalen. In de topjaren was Sleen ook niet vies van grafisch experiment. In een drietal verhalen laat hij bijvoorbeeld de rasters, die gebruikt worden om grijstonen toe te voegen aan een zwartwitstrip, niet meer systematisch samenvallen met de contourlijnen van de tekeningen. Daardoor ontstaat hier en daar een wat kubistisch effect. De verhalen van Nero zijn avonturenverhalen, maar dan avonturenverhalen die zichzelf niet au sérieux nemen. De humor, de kolder, de absurditeit hebben altijd voorrang op de geloofwaardigheid van het verhaal. Als de nood het hoogst is in een of andere oceaan, kun je er donder op zeggen dat dronkaard Oliepul met zijn boot His Majesty Pull in de buurt is om de drenkelingen op te vissen, detectief Van Zwam kan dankzij zijn vergrootglas de meest absurde details te weten komen over alles en iedereen en als dat niet helpt, zijn er nog altijd de paasklokken of vooral de ezel, sorry, het paard van Sinterklaas om de meest uitzichtloze problemen uit de weg te ruimen. Er zijn nog andere oude strips waarin het gebeurt, maar in Nero is het echt systematisch: de dag waarop een strook in de krant staat, bepaalt mee het verhaal. Rond Sinterklaas komt de ezel, soms ook met Sint en Piet, de helden uit de penarie halen. Nero wenst zijn lezers ook vaak een gelukkig nieuwjaar toe. Soms is zo'n interventie van de kalendertijd echt ingrijpend, zoals wanneer de paasklokken een tegengif brengen in De wortelschieters. Doordat Sleen zelf zelden of nooit oudere verhalen herleest, zitten er interne inconsistenties in de reeks, die bij nader inzien ook bijdragen tot de charme ervan. Zo was Nero al eens gesignaleerd met twee kinderen en met nog een andere baby, voordat hij zijn enige zoon Adhemar kreeg, zag Nero's vrouw er aanvankelijk helemaal anders uit, duurde het even voordat ze definitief de voornaam Bea kreeg en heet Nero nu eens Heiremans en dan weer Baddevinus, maar meestal gewoon Nero. Ook een duikboot kan van binnen veel groter zijn dan hij van buiten lijkt; een consistent realisme is niet Sleens grootste zorg. Het is niet uniek voor Nero, maar Sleen drijft het toch wel stevig door: de personages in Nero zijn zich sterk bewust van hun rol in een strip. Niet voor niets prijkt op het naambordje aan Nero's deur het beroep 'dagbladverschijnsel'. De personages vragen zich geregeld af wat de lezer er niet van moet denken of protesteren bij Sleen, die dan zelf in de strip opdraaft, over de wending die hij aan het verhaal geeft. Postmodern avant la lettre. Door Gert Meesters