Hij behoort, samen met Philip Roth, Don DeLillo en Cormac McCarthy, tot het elitekransje van de Amerikaanse literatuur. Als er ooit nog een Nobelprijs richting Verenigde Staten vertrekt, geldt hij als schaduwkanshebber. Zijn oeuvre wordt tot de inventiefste van de laatste halve eeuw gerekend, en zowel Bret Easton Ellis als David Foster Wallace duiden hem als leermeester. Hij heeft zijn eigen tijdschrift waarin academici diepgravende essays over zijn teksten publiceren én een horde fans pleurt het internet vol met allerlei analyses. (Zo is iemand op het vermetele idee gekomen om elke pagina van Gravity's Rainbow (1973), toch een kloeke achthonderd bladzijden lang, te illustreren. Of u kunt een geannoteerde versie van die roman kopen: vierhonderd pagina's voetnoten, zonder de brontekst welteverstaan.) Er werd zelfs een asteroïde naar de man vernoemd: ergens in het heelal zweeft een koud stuk rots rond met de naam Thomas ...

Hij behoort, samen met Philip Roth, Don DeLillo en Cormac McCarthy, tot het elitekransje van de Amerikaanse literatuur. Als er ooit nog een Nobelprijs richting Verenigde Staten vertrekt, geldt hij als schaduwkanshebber. Zijn oeuvre wordt tot de inventiefste van de laatste halve eeuw gerekend, en zowel Bret Easton Ellis als David Foster Wallace duiden hem als leermeester. Hij heeft zijn eigen tijdschrift waarin academici diepgravende essays over zijn teksten publiceren én een horde fans pleurt het internet vol met allerlei analyses. (Zo is iemand op het vermetele idee gekomen om elke pagina van Gravity's Rainbow (1973), toch een kloeke achthonderd bladzijden lang, te illustreren. Of u kunt een geannoteerde versie van die roman kopen: vierhonderd pagina's voetnoten, zonder de brontekst welteverstaan.) Er werd zelfs een asteroïde naar de man vernoemd: ergens in het heelal zweeft een koud stuk rots rond met de naam Thomas Pynchon. Enig probleem: niemand weet wie hij is. En of hij wel bestaat. Net zoals sommige electronica-fanaten beweren dat Four Tet en Burial een en dezelfde persoon zijn, bestaat er een theorie dat Pynchon eigenlijk samenvalt met die andere illustere Amerikaanse auteur, J.D. Salinger. Pynchon kon er zelf wel om lachen: 'Not bad. Keep trying', was zijn ludieke - schriftelijke - antwoord. Toen Salinger in 2010 overleed werd die stelling net iets minder plausibel, maar van oorsprong was ze best begrijpelijk: net als Salinger geldt het adjectief 'mediaschuw' bij Pynchon als een understatement. Sinds zijn jeugdjaren werd hij niet meer gefotografeerd, geïnterviewd of in het publieke leven gespot. Toen hij met Gravity's Rainbow een gedeelde National Book Award won, liet hij die ophalen door een stand-upcomedian - stel u voor dat Stefan Hertmans zijn Librisprijs zou laten oppikken door Gunter Lamoot. De consternatie bij het stijfdeftige publiek werd er niet minder om toen er ook nog een streaker door de zaal liep. Pynchons zelfgekozen anonimiteit lijkt in mediatijden wel een statement. Terwijl andere auteurs vechten om een plekje in de schaarse spotlights, weigert hij pertinent het spelletje mee te spelen. Wat de media dan weer ophitst om nog verwoeder op jacht te gaan naar zijn ware gelaat. CNN wijdde in 1997 een kort item aan de teruggetrokken auteur, volledig opgetrokken uit archiefbeelden en interviews met collega's. De mythe doet de ronde dat Pynchon er ook zelf in te zien is, ergens in een publieksshot. Hetzelfde gerucht dook op toen Paul Thomas Anderson besloot om Inherent Vice (2009) te verfilmen: Pynchon zou als figurant aantreden in de achtergrond. Reden genoeg voor de fans om binnenkort elke frame grondig te onderzoeken. Pynchon zou naast u in de New Yorkse metro kunnen zitten zonder dat u er erg in hebt, en juist dat lijkt zijn bedoeling: schrijversrust afdwingen. De auteur put humor uit zijn vermeende kluizenaarsstatus. Twee keer trad hij in The Simpsons aan, telkens met een bruine papieren zak over het gele hoofd, telkens in scènes waar de zelfspot van afdruipt. Pynchon is ook geen norse heremiet. Ooit zei de Britse auteur Tom McCarthy op bezoek bij Pynchon te gaan, simpelweg omdat ze dezelfde uitgeverij delen. McCarthy omschreef Pynchon als een 'praatgrage, grappige man' die gewoon zijn leven leidt, ongestoord, zoals elke anonieme burger. Anderzijds speelt ook McCarthy graag mediaspelletjes. Naast zijn briljante boeken Remainders en C - op zich een ode aan Pynchons V - houdt hij zich bezig met cryptocommunistische kunstcollectieven die niets liever doen dan BBC-websites hacken en de media manipuleren. Ook hij gaf ooit een persconferentie annex performance waarin hij zich liet vervangen door een bazelende vriend, enkel om te zien hoe kritisch de hedendaagse journalist is ingesteld. Aangezien Pynchon iedereen en niemand is, kan het dus best zijn dat McCarthy staalhard stond te liegen over zijn intieme diner met de Amerikaanse meester. Het valt immers niet te controleren. Hoe vermakelijk die kat-en-muisspelletjes ook zijn, u doet er vooral goed aan Pynchon te lezen. Hij is evenwel geen gemakkelijke auteur. Zijn postmoderne boeken bulken van de referenties, woordspelletjes en stijlbreuken - hij aarzelt niet om zijn personages plots in liedjesteksten te laten praten, als leefden ze in een musical - en wie van een boek vooral een stevige plot verwacht, is eraan voor de moeite. Maar het is vooral zijn ritmische proza dat je meesleept en overdondert. Samen met zijn messcherpe dialoogkunst - Tarantino zou Uma Thurman op het altaar van de filmgoden offeren voor dergelijke snedigheid - dompelt Pynchon je onder in een eeuwigdurende nacht vol taalvuurwerk. RODERIK SIX