STOOMBOOT: Wat is voor jou het startpunt voor het schrijven van een nummer?

ERIK DE JONG: De melodie. Die zing ik al heel snel fonetisch in, nog voor ik woorden heb. Mijn telefoon staat vol met gemommel. Op die manier is het idee tenminste al geluid en niet langer van papier.
...

ERIK DE JONG: De melodie. Die zing ik al heel snel fonetisch in, nog voor ik woorden heb. Mijn telefoon staat vol met gemommel. Op die manier is het idee tenminste al geluid en niet langer van papier. DE JONG: Ja, zo voelt het zeker. Dan moet het ene wijken voor het andere. Meestal is het net zolang zoeken en wroeten tot elke lettergreep de melodie optilt. Een goede melodie heeft een aantal verdiepingen: een vlakke aanloop en een plotse wending, door een nieuw akkoord of een hogere toon. Het woord dat op de plek van die wending komt, is cruciaal. Het is de sleutel tot het geheel. Als ik daar een goed woord vind, ontvouwt de rest zich wel. Maar naar dat woord is het vaak lang zoeken. Neem nu Dageraadplein. Ik was een liedje aan het maken over een plein waar de tijd stilstaat, waar een man seizoenen aan een stuk zit te wachten tot de ministers weer vlinders zijn.De melodie was klaar, daar wilde ik dus niet van afwijken. En toen moest het plein een naam krijgen. Ik vond het maar niet. Hazelaarplein? Nee. Dageraadplein? Ja, natuurlijk. Ik keek op Google Maps of er echt zo'n plein bestond, ontdekte de Dageraadplaats in Antwerpen en ging er met de trein naartoe. Het was precies zoals ik het had gedroomd, met de kerk, de bomen en de bankjes. DE JONG: Als ik zou moeten, dan zou ik altijd voor de muziek kiezen. Ik ben meer een componist dan een tekstdichter. Een melodie gaat nergens over, behalve over zichzelf. Daarom ontroert het en daarom is muziek de hoogste vorm van kunst. Tekst wordt altijd geacht ergens over te gaan: dat principe ben ik steeds meer gaan loslaten. Het doet me gewoon veel plezier om woorden op te roepen en een collage van beelden samen te stellen. Waarover het gaat, is een zinledige vraag geworden. Het doet er niet langer toe wat de betekenis is. Vaak besef ik pas na enkele jaren wat er in mijn teksten staat. Dan blijkt een bepaalde passage gewoon over mijn moeder te gaan, ook al staat het er niet zo letterlijk. DE JONG: (haalt een notitieboekje boven) Dit is mijn kapitaal. Het staat vol woorden en zinnetjes. Wil je een voorbeeld? (hij bladert door het boekje) Er is geen overkant.' Of dit: 'Ik durf niet te kijken. Ooit gebruik ik het.' Zodra ik de melodie goed heb ingezongen, begin ik te puzzelen, kijk ik welke zinnetjes op welke plek passen. Het kan maanden duren vooraleer het juist zit. Op sommige dagen lijkt alles bruikbaar, op andere niets. Inspiratie en geluk komen je aanwaaien. Ze zijn niet af te dwingen, je kunt er niet naar streven. Een mens is niet de god van zijn eigen leven. Echt geluk waait twee of drie keer per jaar door je heen, god weet waarom, en het is ook zo weer weg, als een wolk.' DE JONG: Een moeilijke. (denkt na) Als je geen melodieuze rock of zoete ballades maakt, word je op de Nederlandse radio niet snel gedraaid. Ik ben zelf ook populairder in Vlaanderen dan in Nederland. Bij jullie is het gevoel voor muziek veel artistieker, het gaat ook veel meer om de taal. Ik voel me kortom thuis in Vlaanderen. Maar om de vraag van Waar is Ken? te beantwoorden: ook al blijf je in de marge hangen, je moet jezelf nooit veranderen. DE JONG: Mijn hele leven wilde ik een andere stem hebben. Zonder specifieke voorkeur, er zijn zoveel mooie mannenstemmen. Maar als ik nu een nummer van mezelf hoor dat door iemand anders wordt gezongen, vind ik het niet meer zoals het zou moeten zijn. Mijn stem past er het best bij. Ik wil dus niet langer van stem veranderen. Vreemd hoe dat werkt: wat je het lelijkst vindt aan jezelf is voor anderen juist het mooist. De dingen die je geneigd bent te schrappen, spreken anderen aan. Net daarin zit kennelijk de kwetsbaarheid, de eerlijkheid. Doe mij dus maar mijn lelijke stem, in de plaats van een mooie, maar dan tenminste wel mét het gewenste resultaat. DE JONG: Van de brieven die ik krijg van mensen die in de war zijn, depressief of psychisch niet in orde en wier hele leven van mijn muziek afhangt. Lange, ingewikkelde brieven waarop ik echt geen antwoord kan verzinnen. Of van mensen die mijn teksten op hun huid laten tatoeëren. Daar wordt een grens overschreden, ik word er heel onprettig van. Zij projecteren iets in mijn teksten dat niets met mij te maken en alles met hen te maken heeft, maar waarbij ik op de een of andere manier toch in het middelpunt sta. Een heel ongemakkelijk gevoel. (L.D.)