Even een quizvraag: wat hebben legendarische studiobons Louis B. Mayer, oorspronkelijke King Kong-babe Fay Wray en hedendaagse Hollywoodtoppers Ellen Page, Seth Rogen en Ryan Gosling met elkaar gemeen? Ze zagen allemaal het levenslicht in Canada.
...

Even een quizvraag: wat hebben legendarische studiobons Louis B. Mayer, oorspronkelijke King Kong-babe Fay Wray en hedendaagse Hollywoodtoppers Ellen Page, Seth Rogen en Ryan Gosling met elkaar gemeen? Ze zagen allemaal het levenslicht in Canada. Dat zelfs de grootste filmkenners dat niet weten, hoeft niet te verbazen. Agenten en assistenten vegen dergelijke informatie maar al te graag onder het tapijt. Reden? In Tinseltown genieten Canadese inwijkelingen van oudsher een stiefmoederlijke behandeling. Ze komen van te dichtbij om als exotisch importproduct verkocht te worden, maar van te ver om als 'one of us' te worden gezien. Vraag het maar aan Christopher Plummer, de ondertussen 81-jarige rasacteur die het in 1965 tot cinema-icoon schopte als de stijve Captain Von Trapp in jeugdklassieker The Sound of Music. Ondanks zijn meer dan honderd filmrollen tellende cv moest hij decennialang wachten op de Hollywooderkenning die Britse collega's als Richard Burton, Peter O'Toole of Michael Caine al jaren geleden te beurt viel. Het duurde zelfs tot 2010 voor de drukbezette man zijn eerste Oscarnominatie in de wacht sleepte. Nochtans oogst de in Toronto geboren zoon van een decaansecretaris al sinds zijn prille filmdagen niets dan lof. Toen hij in 1958 zijn bioscoopdebuut maakte in Sidney Lumets Stage Struck, prees The New York Times de doeltreffende geremdheid waarmee hij zijn personage neerzette. In de jaren 60 maakte hij indruk met emotioneel beteugelde vertolkingen in onder meer Inside Daisy Clover, The Night of the Generals en Nobody Runs Forever. Seventiesproducties als Waterloo, The Return of the Pink Panther en The Silent Partner consolideerden zijn status van 's werelds beste nevenacteur. Tot volwaardige leading man schopte Plummer het nooit. De tegenvallende kassaresultaten van enkele vroege films waarin hij de hoofdrol voor zijn rekening nam, deden de studio's al snel beslissen dat hij het charisma van grote namen als Gary Cooper en Paul Newman ontbeerde. Bovendien kreeg de bühne - Plummers grote liefde - steevast de voorkeur boven de set. Topprojecten waarvan de opnames met zijn drukke theateragenda overlapten, weigerde hij resoluut. Hoewel hij cinema nooit helemaal de rug toekeerde, zette Plummer zijn filmwerk in de jaren 80 en 90 op een laag pitje. Theater- en televisierollen werden zijn voornaamste bron van inkomsten. Met zijn vertolking van de wijze aartsbisschop Vittorio Scarbanza di Contini-Verchese in minireeks The Thorn Birds maakte hij zelfs deel uit van een van de grootste kleineschermhypes aller tijden. Op het witte doek vielen in die periode vooral zijn antagonistische nevenpersonages in Star Trek VI: The Undiscovered Country, Malcolm X en Twelve Monkeys op. Met de aanvang van het nieuwe millennium nam Plummers bioscoopcarrière een onverwachte wending. Gerenommeerde cineasten als Atom Egoyan ( Ararat), Oliver Stone ( Alexander) en Terry Gilliam ( The Imaginarium of Doctor Parnassus) castten hem in cruciale bijrollen. Zijn interpretatie van Leo Tolstoj in The Last Station leverde hem vorig jaar zijn eerste Oscarnominatie op. Afgelopen zomer nog was de Amerikaanse filmpers laaiend enthousiast over zijn vertolking van een recent uit de kast gekomen kankerpatiënt in Mike Mills' Beginners. 'Plummer's Academy Award is a sure thing!', schreven sommigen zelfs. Zelf blijft Plummer onbewogen bij de vroege Oscarbuzz: 'In theorie zou ik het beeldje in mijn zak moeten kunnen steken. Ik speel een homo én een kankerpatiënt. Maar: je mag niet vergeten dat de uitreiking van de Academy Awards de ultieme 'insider game' is en dat ik door mijn afkomst altijd de ultieme outsider zal blijven.' Veranderen sommige dingen écht nooit? BEGINNERS Vanaf 31/8 in de bioscoop.DOOR STEVEN TUFFIN