Vandaag zou je Upton Sinclair zonder overdrijven een sociaal gedreven onderzoeksjournalist kunnen noemen. Jarenlang was hij een van de meest gelezen Amerikaanse schrijvers en veel van de honderd romans die hij schreef, zijn ook in het Nederlands vertaald. Sommigen noemen hem, terecht, de Amerikaanse Emile Zola. Tot zijn bewonderaars horen Arthur Conan Doyle, Thomas Mann, Maxim Gorki, Bertrand Russel. En ook, samen met Stalin en Eisenstein, Charlie Chaplin.
...

Vandaag zou je Upton Sinclair zonder overdrijven een sociaal gedreven onderzoeksjournalist kunnen noemen. Jarenlang was hij een van de meest gelezen Amerikaanse schrijvers en veel van de honderd romans die hij schreef, zijn ook in het Nederlands vertaald. Sommigen noemen hem, terecht, de Amerikaanse Emile Zola. Tot zijn bewonderaars horen Arthur Conan Doyle, Thomas Mann, Maxim Gorki, Bertrand Russel. En ook, samen met Stalin en Eisenstein, Charlie Chaplin. Naam maakte hij met The Jungle (1906, vertaald als De wildernis), een felle aanklacht tegen de misstanden in de vleesfabrieken van Chicago. Sinclair heeft het zowel over de uitbuiting van immigranten als de compleet onhygiënische verwerking van het vlees. Het eerste vond hij belangrijker dan het tweede. Hoewel het niet zijn bedoeling was, zijn door het boek nogal wat vleeseters vegetariër geworden. En als de Amerikaan iets heeft bewezen, dan is het wel dat literatuur, toen in elk geval, invloed kan hebben op de politiek. The Jungle lag aan de basis van een wet die meer hygiëne in de voedingsindustrie moest garanderen. De naam van Sinclair was gemaakt, ook al omdat president Theodore Roosevelt naar verluidt moest kotsen bij het lezen van The Jungle. Met de opbrengst van de roman stichtte Sinclair een commune die korte tijd later afbrandde en hem opnieuw straatarm maakte. Intussen was hij zich ook actief voor politiek gaan interesseren. De socialistische partij steunde in New Jersey zijn kandidatuur voor het Congres, maar Sinclair haalde het net niet. Wat later ging hij in Californië wonen, waar hij - eerst als socialist, later als democraat - ook zijn politieke ambities niet kon waarmaken. Rebelleren en schrijven lagen hem beter. Hoewel hij immens sociaal bewogen was, werden zijn romans nooit pamfletten. Hij blijft in de eerste plaats een verteller die veel empathie toont voor zijn personages en een beetje sentimentaliteit niet schuwt. Een mooi voorbeeld is The Flivver King over Henry Ford, dat als De koning van de Fordjes werd vertaald. De Amerikaanse automobielvakbond kocht meteen 200.000 exemplaren om leden te werven. Tot zijn beste boeken horen King Coal, over de stakingen in de Amerikaanse koolmijnen, en het nu als There Will Be Blood verfilmde Oil!. Aan de basis van de roman die in 1927 verscheen, ligt het 'Teapot Dome'-schandaal, dat alleen werd overtroffen door de Watergate-affaire: een reusachtige zwendel met aardolievelden die voor de Amerikaanse marine waren gereserveerd en door politici aan particulieren werden versjacherd. Bij Sinclair wordt dat het verhaal van het conflict tussen Bunny Ross en zijn vader, die olietycoon werd. Bunny vecht aan de zijde van de arbeiders in twee harde stakingen en raakt betrokken bij ruzies tussen socialisten en communisten. Fascinerend en romantechnisch heel handig is dat Sinclair zijn held moeiteloos laat laveren tussen alle klassen en standen: van arbeiders tot multimiljonairs, van evangelische kruisvaarders tot linkse revolutionairen. Upton Sinclair stierf in 1968. Hij was 90 en bleef tot het einde van zijn leven bijzonder actief. Zijn derde vrouw, met wie hij 50 jaar was getrouwd, klaagde dat hij in al die jaren maar één pak had gekocht. Naar verluidt was hij bijzonder gelukkig toen een jonge studente hem op hoge leeftijd 'You're really cool, sir' toefluisterde. Cassant citaat van Sinclair: 'Iemand iets laten snappen is moeilijk als hij betaald wordt om het niet te snappen.' Fred Braeckman