Wie in de jaren 70 al eens met wapperende olifantenpijpen een platenwinkel binnenwoei en de moeite nam om in de sleeve notes van de aldaar opgestapelde vinylplaten de kleine lettertjes te lezen, is ongetwijfeld ooit de naam Tony Visconti tegengekomen. Als geen ander drukte hij in die dagen zijn stempel op all things glam, van T. Rex en Thin Lizzy tot Brian Eno en David Bowie. Maar ook daarna maakte de Amerikaan zich verdi...

Wie in de jaren 70 al eens met wapperende olifantenpijpen een platenwinkel binnenwoei en de moeite nam om in de sleeve notes van de aldaar opgestapelde vinylplaten de kleine lettertjes te lezen, is ongetwijfeld ooit de naam Tony Visconti tegengekomen. Als geen ander drukte hij in die dagen zijn stempel op all things glam, van T. Rex en Thin Lizzy tot Brian Eno en David Bowie. Maar ook daarna maakte de Amerikaan zich verdienstelijk als producer van onder andere U2, Mercury Rev en Manic Street Preachers. 's Mans laatste tour de force is Ringleader of the Tormentors, de meesterlijke comebackplaat van Morrissey. The Mozzer retourneert die geste in Visconti's autobiografie met een voorwoord, waarin hij de producer omschrijft als 'iemand die tegelijk kan praten én luisteren'. Zélf doet Visconti niet al te bescheiden over zijn talenten, maar gelukkig zit dat zijn tomeloze bewondering voor zijn eigen helden en de supersterren met wie hij samenwerkte niet in de weg. Als Brooklyn boy met een voorliefde voor Britse muziek raakte hij in de vroege jaren 60 verslingerd aan The Beatles, wier platen hij nog altijd beschouwt als 'my personal criteria of great sound'. Saillant detail: op het cokefeestje waar hij voor het eerst John Lennon ontmoet, maakt hij ook kennis met diens minnares May Pang, die in '89 Visconti's derde vrouw zou worden. Maar centraal in dit boek staan Marc Bolan en David Bowie, met wie hij in de jaren 70 de hoogdagen van de glamrock beleefde én - als we de verhalen over coke en lsd mogen geloven, met een gezonde dosis geluk - ook overleefde. Op flegmatieke, maar stilistisch nogal onbeholpen wijze beschrijft Visconti onder andere de tragische ondergang van Bolan en de zowel op creatief als sociaal-politiek vlak erg spannende én gespannen opnames voor de plaat Heroes in het toen nog verdeelde Berlijn. Tony Visconti, The Autobiography is een boek van uitersten: in zijn poging om anekdotiek af te wisselen met zuiver technische beschouwingen over zijn producerswerk is Visconti vergeten om een tijdsbeeld te schetsen, waardoor je als lezer weinig nieuws te weten komt over de glamperiode an sich. Wél een leuke surplus zijn de snapshots uit Visconti's persoonlijke archief van een schilderende Bowie, Bob Geldof in onderbroek en een naaktzwemmende Iggy Pop. Vincent Byloo