Three Times ***

HOU HSIAO-HSIEN
...

HOU HSIAO-HSIEN MET CHEN CHANG, QI SHU, MEI DI, SU-JEN LIAO, FANG MEI Aanhoudende productieproblemen, scenario's die herschreven worden, slinkende budgetten en coregisseurs die er plots de brui aan geven: heel even leek het alsof Hou Hsiao-hsiens nieuwste film nooit voorbij start zou raken. Gelukkig blijkt de Taiwanese regisseur een meester in het improviseren en experimenteren, want het donkere en romantische drieluik Three Times voelt op geen enkel ogenblik schematisch of gehaast aan. Wie Hsiao-hsiens vroegere werk kent - denk aan wondermooie kronieken als A City of Sadness (1989), The Puppetmaster (1993), Flowers of Shanghai (1998) en Millennium Mambo (2001) - ontdekt in deze eclectische triptiek een verbazend coherente synthese van zijn oeuvre. Vragen als 'wat is liefde' en 'wat zijn herinneringen' vormen eens te meer de thematische rode draad door de drie kortfilms - die zich respectievelijk afspelen in 1966, 1911 en 2005. Hsiao-hsien en zijn vaste cinematograaf Mark Lee Ping-Bing (zie ook Wong Kar-Wai's In the Mood for Love) hanteren voor elk luik een aparte stijl, waardoor de film ook vormelijk als een autobiografische bloemlezing kan worden beschouwd. Zo sluiten de zorgvuldig opgebouwde long shots, bitterzoete popdeuntjes en herfstkleurige retrodecors uit het eerste deel (de sixtiesromance A Time for Love) naadloos aan bij de nostalgische sfeer van zijn eerste films. Het tweede luik, de stille, op muziek en tussentitels drijvende kostuumprent A Time for Freedom, ligt op zijn beurt perfect in het verlengde van Flowers of Shanghai, terwijl het fragmentarische, handbewogen camerawerk en de Generation X-gadgets (e-mails, gsm's, trancemuziek) uit deel drie A Time for Youth de draad oppikt van de grootstadpoëzie uit zijn voorlaatste film Millennium Mambo. Klinkt abstract en intellectualistisch? Schiet dan gerust op de pianist, want Three Times is eigenlijk een even simpel als ontroerend liefdesdrama. In de drie kortfilms voert Hsiao-hsien telkens hetzelfde koppel op, gespeeld door de Chinese supersterren Chen Chang en Qi Shu, en algauw word je meegezogen in hun romantische mijmeringen. Via subtiele gestes, steelse blikken en bedrieglijk banale dialogen wordt ook duidelijk gemaakt dat harten zich niet zomaar laten veroveren, of die zich nu in de besloten kabinetten van het archaïsche Taiwan anno 1911 bevinden, in een sjofele biljartzaal uit de sixties of in een stikdonkere discotheek vol technodreunen. Dave Mestdach Dave Mestdach