'Ik heb er een haat-liefdeverhouding mee, altijd al gehad. Aan de ene kant vind ik ze ongelooflijk fascinerend, mijn schedels. Maar aan de andere kant stoten ze me ook een beetje af. Ze herinneren me eraan dat niets eeuwig blijft duren, dat alles en iedereen vergankelijk is. Wellicht verzamel ik daarom alleen schedels van dieren. Van mensen aanvaard je zoiets minder gemakkelijk.'
...

'Ik heb er een haat-liefdeverhouding mee, altijd al gehad. Aan de ene kant vind ik ze ongelooflijk fascinerend, mijn schedels. Maar aan de andere kant stoten ze me ook een beetje af. Ze herinneren me eraan dat niets eeuwig blijft duren, dat alles en iedereen vergankelijk is. Wellicht verzamel ik daarom alleen schedels van dieren. Van mensen aanvaard je zoiets minder gemakkelijk.''Ik ben een stadsmens, opgegroeid in hartje Brussel. Ik heb zelfs twee jaar in New York gewoond. Maar ik heb me ook altijd enorm voor de natuur geïnteresseerd, van kindsbeen af. Op vakantie met mijn ouders ging ik altijd op zoek naar veren, en naar konijnenpoten en braakballen die ik dan achteraf thuis ontleedde. Met de beentjes die ik daarin vond, maakte ik dan skeletten van 'nieuwe' dieren. Ik denk dat ik op een bepaald moment zelfs genoeg braakballen had om alle leerlingen van mijn school te voorzien, voor de lessen biologie. In Brussel ging ik geregeld wandelen met een boswachter van het Zoniënwoud, een vriend van mijn ouders. Het was van hem ook dat ik mijn eerste schedel kreeg, als aandenken aan een konijnenjacht met een fret. Ik moet een jaar of negen geweest zijn, en ik herinner me nog dat die schedel ongelooflijk veel indruk op me maakte. Kort nadien ben ik er dan zelf mee begonnen. Lange wandelingen maken om dode dieren te zoeken, ze te begraven en dan maanden later opnieuw op te graven. Mijn laatste vondst dateert intussen wel al van twee jaar geleden. Een zeeschildpad die was aangespoeld in Mozambique, op een onbewoond eiland waar ik op vakantie was. Die schedel staat nog altijd thuis op mijn schouw, de meeste andere zitten intussen in een kast.''Ik heb nooit schedels gekocht, nee. Ik heb er wel een paar gekregen, onder meer een van een hangbuikzwijn. Maar ik hou vooral van de hele procedure: het wandelen, het zoeken, het vinden, het begraven en het opnieuw opgraven. Er moet een persoonlijke herinnering aan vasthangen. Vooral het opgraven is ongelooflijk spannend. Soms gebeurt het dat je niks meer terugvindt op de plaats waar je een merkteken hebt aangebracht, een mysterieuze verdwijning. En vaak vind je wél alles terug, maar dan een meter verder. 'Wat is daar nog mee gebeurd nadat ik het begraven had', vraag je je dan af. En dat maakt het wel spannend. Vaak is het ook redelijk onthutsend om te merken hoe weinig er maar overblijft als iets een paar maanden in de grond heeft gezeten. Ik heb ooit een uil begraven, een redelijk groot beest. Behalve de schedel heb ik daar bijna niks meer van teruggevonden.''Soms denk ik: ik had opzetter moeten worden, taxidermist. Maar dat lijkt me typisch zo'n beroep dat wordt overgedragen van vader op zoon. Ik ben wel eens uit interesse een winkel met opgezette dieren binnengestapt. Maar ik heb me nooit concreet geïnformeerd om bij iemand in de leer te gaan, of zo. En sowieso is het intussen alweer een tijdje geleden dat ik er nog echt intensief mee bezig was. In de tuin van mijn ouders ligt ook nog ergens een schildpad begraven. Dat doet me eraan denken: het wordt misschien wel tijd om daar eens naar te kijken.'Thomas Devos is de zanger van de Vlaamse rockgroep Rumplestitchkin. www.rumplestitchkin.comOpgetekend door Wouter Van Driessche